Opinie

Wie over de Nederlandse dijken kijkt, ziet een wereld die op een recessie afstevent

Centraal Planbureau

Commentaar

De ingrediënten voor naderende economische rampspoed liggen de laatste tijd voor het oprapen. Tegenvallende economische cijfers in Duitsland en China, een snel naderende Brexit-deadline zonder zicht op een deal en een oplopende handelsoorlog tussen de VS en China. Voeg daarbij de onzekerheid over Italíë en (paniek!) de langetermijnrentes op staatsobligaties die in de Verenigde Staten én het Verenigd Koninkrijk onder de kortetermijnrentes doken (historisch gezien een erkende alarmbel voor recessies). En blus het geheel af met centrale banken die openlijk speculeren over nieuwe rondes van stimulering van hun economieën aan beide zijden van de Atlantische oceaan en het beeld is compleet.

Wie over de Nederlandse dijken heen kijkt, ziet een wereld die in rap tempo afstevent op een recessie. Beurzen reageren nerveus, de regering in Berlijn spreekt van een ‘wake-up call’ en hoopt een recessie te kunnen afwenden. En president Trump voert via Twitter de druk op zijn centrale bankiers op om de rente nu snel te verlagen om erger te voorkomen.

Des te opvallender waren deze week de cijfers van respectievelijk het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Centraal Planbureau over de Nederlandse economie. Terwijl Duitsland in het tweede kwartaal met 0,1 procent kromp, wist de Nederlandse economie nog met 0,5 procent te groeien. En voor komend jaar verwacht het CPB een – bescheiden – plus van 1,4 procent, zo maakte de belangrijkste economisch adviseur van het kabinet donderdag bekend.

Afgaande op de internationale trends, doet met name de raming van het CPB enigszins denken aan Prinsjesdag 2008. Letterlijk een dag nadat de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers failliet was gegaan en de al een jaar sudderende kredietcrisis in een stroomversnelling kwam, verkondigde toenmalig minister Wouter Bos (Financiën, PvdA) dat de Nederlandse economie er vrij goed voor stond. Het leverde een schizofreen beeld op van een totaal van de werkelijkheid losgezongen Nederlandse economie.

Natuurlijk ontkwam ook Nederland destijds niet aan de recessie die mondiaal volgde op de ineenstorting van het financiële stelsel. Dat het CPB die op voorhand niet in de modellen zag aankomen, was helder. Zo erg als in 2008 is het nu bij lange na niet. Nog niet althans. Het toont wel de betrekkelijkheid van de ramingen, zeker in onzekere periodes waarin de economie zich op een omslagpunt bevindt.

Want ondanks de redelijk gunstige ramingen voor dit en komend jaar, schrijft het CPB dat ook de Nederlandse economie over zijn hoogtepunt heen is. „Het omslagpunt van de conjunctuur ligt achter ons. De vaart gaat eruit. (…) De Nederlandse economie moet het vooral hebben van de binnenlandse bestedingen, de export lijdt onder de fall out van ontwikkelingen in het buitenland”, aldus directeur Laura van Geest van het CPB.

Betekenisloos zijn de ramingen daarmee allerminst. Met name de geconstateerde afvlakking van de groei van de werkgelegenheid is een signaal dat serieus genomen dient te worden. Voor veel werkgevers zal dit het teken zijn om minder te investeren in nieuwe vaste krachten en juist weer meer in te zetten op flexwerkers. Die kunnen bij een tegenvallende economie immers weer makkelijker naar huis gestuurd worden. Sowieso kan de angst voor een economische omslag een self fulfilling prophecy worden, als die de koop- en investeringsbereidheid van consumenten en bedrijven aantast.

De deze week gepubliceerde ramingen vormen de basis van het kabinetsbeleid voor de komende tijd. Mocht er een mondiale recessie komen, dan zal de traditioneel open Nederlandse economie daar ook nu niet aan kunnen ontkomen.

Gezien de grote onzekerheden die de ramingen omgeven, lijkt een al te gedetailleerd sturen op plussen of minnen (koopkracht, lastenverlichting) door de ministeries daarmee op voorhand al vergeefse moeite. De werkelijkheid zal er eind 2020 een stuk anders uitzien dan nu te voorzien is.

Beter is het om te blijven werken aan het structureel verbeteren van de economische fundamenten van de Nederlandse economie. De kwetsbare positie van (flexibele) werknemers aan de onderkant van de samenleving verdient daarbij extra aandacht. Macro-economisch is daar zeker ruimte voor: het begrotingssaldo staat ook komend jaar nog in de plus, de overheidsschuld daalt rap tot ver onder de 50 procent van het bbp. Het lijkt verstandig er rekening mee te houden dat die ruimte komend jaar deels benut zal moeten worden.