Opinie

Wat ik – hoe is het mogelijk – toch nog miste in het debat over de ‘boerka’

De ombudsman

Het heeft even geduurd, maar eindelijk ben ik er doorheen, de stapel artikelen die deze krant wijdde aan het boerkaverbod.

Het waren er zoveel dat een lezer klaagde dat de boerka kennelijk hét komkommer-onderwerp van de zomer was. Ik telde in ruim een week zes lange nieuwsverhalen (waaronder empathische op-pad-met-een-boerka-reportages), zeven opiniestukken, elf brieven en een Commentaar.

Komkommernieuws is het zeker niet. Het onderwerp raakt aan de rechtsstaat, integratie, de islam – allemaal hete hangijzers, wat al blijkt uit de vele verhitte, maar ook twijfelende en zoekende reacties per brief en online.

In een overgrote meerderheid van de artikelen in de krant overheerste de kritiek op de wet, evenals in het Commentaar, dat stelde dat de wet maar beter zo snel mogelijk een dode letter kan worden. Een leraar geschiedenis deed een poging de maatregel te verdedigen, met een beroep op vrouwenemancipatie.

Columnist Paul Scheffer was de tweede uitzondering. Hij zette zich af tegen een filmpje van Amnesty International waarin vrouwen in Iran die het recht opeisen om zich te kleden zoals ze willen, op één lijn worden gesteld met de draagsters van de boerka hier. Amnesty maakte zo „een knieval voor het cultuurrelativisme”, die slecht is voor de emancipatie.

Dat laatste kan waar zijn, maar het afgepeigerde stokpaardje van cultuurrelativisme had Scheffer toch beter op stal kunnen laten. Dat filmpje van Amnesty is juist géén cultuurrelativisme; dat gaat er immers vanuit dat lokale gewoontes leidend moeten zijn: daar ‘hoort’ een boerka, hier niet.

In plaats daarvan is het filmpje van Amnesty eerder een voorbeeld van het tegendeel: een verabsolutering van het individuele recht om te dragen wat je wilt, ongeacht lokale context, mores en omstandigheden. Dat idioom van universele rechten is ook het verweer van draagsters van de boerka (of beter: de nikab) hier. Dat zijn overigens opvallend vaak bekeerlingen, een intrigerend aspect dat ik ook nog wel in een artikel uitgediept had willen zien.

Andere, meer formalistische argumenten voor of tegen de nikab kwamen in de berichtgeving wat minder of niet aan de orde. Een religieus geschoolde ervaringsdeskundige legde me uit dat de boerka of nikab volgens islamitisch recht in niet-islamitische landen af te raden is. De functie ervan is immers vooral: vrouwen de openbare ruimte laten betreden zonder ongewenste aandacht te trekken.

Maar in Nederland kunnen moslima’s dat al. Sterker, het effect is averechts, want juist met nikab trek je hier aandacht, wat misschien ook de bedoeling is. Of het argument hout snijdt moeten islamologen maar zeggen, maar ik had er graag meer over gehoord.

Ook had ik, ondanks de toch al vele stukken, best meer willen lezen over de vraag wat een publieke ruimte eigenlijk is of moet zijn. Verdedigd, of impliciet aangenomen, werd dat die ‘neutraal’ moet zijn. Een vrijplaats waar de staat niets te zoeken heeft zolang het om onschadelijke persoonlijke voorkeuren gaat. Maar Maxim Februari wees er al op dat dit onwaar is: naakt lopen op straat is ook verboden. In een van de brieven keerde dat punt terug.

Dan zou je dus als voorstander van een verbod kunnen betogen dat een naaktloper (m/v) en een nikabdraagster ironisch genoeg elkaars perfecte tegenpool zijn en beide onwenselijk. De nudist slingert zijn complete privé de openbare ruimte in, wie een nikab draagt zuigt elke openbaarheid daaruit weg en hult zich in een particulier vacuüm.

In plaats daarvan draaiden veel stukken vooral om de vraag of het dragen van de nikab wel een vrije keus is (het antwoord is, blijkens interviews met de diep-religieuze draagsters ervan: ja, dat is het). En dan zijn we terug bij het rechtenidioom van Amnesty.

Waar dit ronduit deprimerende debat uiteindelijk op uitloopt, is machtsuitoefening over de openbare ruimte, aldus het laatste opiniestuk dat ik erover las (van Pooyan Tamimi Arab), gericht tegen een minieme minderheid van gelovige moslima’s.

Ook daar valt meer over te zeggen. Want je hoort het soms wel, maar de publieke ruimte is niet gewoon van ‘iedereen’. Eerder van ‘ons’, dat wil zeggen van een politieke gemeenschap. Die vindt zijn articulatie in de Tweede Kamer en gemeenteraden, die grenzen stellen.

Kern van de zaak is de invulling van dat ‘ons’. Voor democraten die geloven in een pluralistische samenleving (zoals deze krant in het Commentaar) is het cruciaal om bij verboden en beperkingen altijd rekening te houden met de belangen van minderheden en de proportionaliteit van maatregelen. Zij kunnen volhouden dat de wet een slecht idee is, maar dat de nikab soms, zoals bij het aanvragen van een paspoort of bij behandeling in een ziekenhuis, niet hoeft te worden toegestaan.

Populistische democraten, die aandrongen op een algemeen verbod, denken daar anders over. Voor hen is ‘ons’ synoniem met de wens van de meerderheid. Vijftig-plus-één stemmen vóór? Dan gewoon handhaven en verder je kop dicht. Althans, totdat een volgende meerderheid aantreedt die de boel terugdraait – en bijvoorbeeld peroxide kapsels op straat verbiedt. Niet voor niets bazuinde PVV-leider Wilders al rond dat hij het liefst ook ‘gewone’ hoofddoekjes wil gaan aanpakken. Dat is geen democratie, maar dictatuur van de meerderheid.

Ook daaruit blijkt dat het in deze controverse, zoals vaker met symboolpolitiek, tussen de regels door om iets anders gaat. Niet om een democratische publieke ruimte – met pragmatische argumenten tegen de nikab – maar om cultuurstrijd tegen de islam. Dat is hoe dan ook geen goed recept voor gedeeld burgerschap.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.