Opinie

Totalordnung

De nachtboot uit Tallinn arriveert om tien uur ’s morgens in Stockholm. Niets heeft me voorbereid op de koele schittering van deze stad. De volmaakt onderhouden gebouwen en mensen. Geen stoeptegel ligt los, iedereen is even mooi. Een stad voor mantelpakjes van Filippa K, hagelwitte sneakers en pantalons tot juist boven de enkel. Iedereen is onderweg naar iets nuttigs, als de strevende figuurtjes op een artist impression van een nieuw winkelcentrum; gelanterfant wordt er nergens. De digitale technologie die toegang verschaft tot musea en het openbaar vervoer is begrijpelijk en verwelkomend, het wifisignaal blijkt overal even sterk. De omgangsvormen worden gekenmerkt door geduld en verdraagzaamheid, obers voelen zich in tegenstelling tot hun Nederlandse collega’s niet in hun eer aangetast als je ze wenkt of gedempt roept.

Waar in Stockholm zich de onaanzienlijken, de kanslozen en de ongelukkigen zich ophouden is zo gauw niet te achterhalen. Vermoeden van buitenwijken waar zich een gistend ressentiment opbouwt – gefantaseerde en een enkele keer ten uitvoer gebrachte wraakvisioenen van achtergestelden die geen deel hebben aan zoveel schoonheid en welvaart.

Het gebruik van cosmetische chirurgie lijkt algemeen. Veel opgespoten lippen, te herkennen aan hun ontstoken glans, en gezichten waaruit alle uitdrukking is weggeopereerd. Op een dag zullen we op zulke gezichten terugkijken als op lotusvoetjes en schotellippen, maar nu worden ze nog geassocieerd met schoonheid en niet met verminking.

Op het station word je gevraagd en ongevraagd bijgestaan door personeel dat je buitenlandse herkomst leest als een handicap. Het zijn ook deze jonge mannen en vrouwen die de mensenstroom bij drukke tramhaltes in het centrum in goede banen leiden. De conducteurs in de tram doen iets waarvan je niet wist dat het kon: vriendelijk je kaartje knippen.

Tegenover deze Totalordnung voel ik me een Sovjetmens die voor het eerst het Westen bezoekt. Ryszard Kapuscinski, de Poolse reisschrijver die opgroeide in de communistische jaren van lood, kwam op een plein in Zürich tot een definitie van beschaving, te beginnen met het materiaal: „Het beton is licht en glad, het asfalt effen en hard, het glas schoon, aluminium glinsterend, de raamkozijnen wit, altijd pas geschilderd; ten tweede – dat alles hier afgewerkt is, op een zorgzame, zorgvuldige manier afgewerkt. Niets ligt hier opengewoeld, opengereten, verwaarloosd, weggegooid; ten derde – het gedrag van de mensen wordt hier door een geconcentreerde, degelijke punctualiteit beheerst. Op Toblerplatz is een halte van lijn zes. Hij komt om het kwartier. Ik sta op de halte die leeg is omdat de tram over zes minuten komt. Die zes minuten zijn de mensen ergens mee bezig, ze verspillen ze niet met wachten. Een minuut voor de geplande komst van de tram wordt het druk op de halte. De mensen stappen ongehaast in.” (Vertaling Gerard Rasch.)

Zoals de Pool zich verhoudt tot de Zwitser, verhoudt de Nederlander zich tot de Zweed. Gemiddeld genomen een ploert, over het algemeen een hufter. Van eigen voortreffelijkheid vervuld, niet tot hoffelijkheid geneigd. Op NOS.nl lees ik dat de Nederlandse economie met een half procent is gegroeid. Er is een foto bij geplaatst van twee vrouwen in een winkelstraat, van achteren gefotografeerd. ‘Winkeldrukte in het centrum van Rotterdam’ staat erbij. De vrouwen dragen boodschappentassen van Xenos en Primark. Zinnebeeld van Nederlandse voorspoed: twee zware vrouwen die hun futloze konten door een generieke winkelstraat slepen. Je hoort ze praten, eeuwig tekortgedaan. De intense lelijkheid van het beeld is nauwelijks te verdragen. Koopgoot is een woord dat alleen in het Nederlands kan bestaan. Op een dag zal ik ernaartoe terug moeten, naar het land op die foto. Gelukkig went het vlug, ik zal niet van mijn landgenoten te onderscheiden zijn.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.