Wat kost een bedrijf de wereld?

Meetlat maatschappelijke impact Beleggers willen steeds vaker weten wat een bedrijf de maatschappij kost. Harvard Business School ontwikkelt een rekenmethode die deze ‘impact’ vangt in een concreet geldbedrag. Maar wordt dat ook de standaard?

Een vrouw in Beijing draagt een mondkapje, zoals zoveel Chinezen, vanwege de ernstige luchtvervuiling in China.
Een vrouw in Beijing draagt een mondkapje, zoals zoveel Chinezen, vanwege de ernstige luchtvervuiling in China. Foto Kevin Frayer/Getty Images

Talloze getallen moeten grote bedrijven elk jaar rapporteren. Omzet, winst, kosten, schulden, vermogen – ondernemingen moeten ze allemaal volgens dezelfde gedetailleerde regeltjes berekenen. Aandeelhouders weten precies waar zij aan toe zijn: of – en zo ja, hoeveel – zij financieel profiteren?

Wat uit al die cijfers niet blijkt, is of de rest van de wereld óók profiteert. Of dat die juist schade lijdt door hoe een bedrijf te werk gaat. Universele regels om dat uit te rekenen, bestaan nog niet.

Als het aan de Amerikaanse Harvard Business School ligt komt daar verandering in. Met het ‘Impact Weighted Accounts Initiative’ (IWAI) wil de prestigieuze instelling een methode ontwikkelen om ‘impact’ te meten, uitgedrukt in een geldbedrag. Waarbij impact zoveel wil zeggen als: een verandering met een positieve of negatieve uitkomst voor mensen of de planeet. Het doel is, uiteindelijk, dat bedrijven de resultaten opnemen in hun jaarverslag en laten controleren door een accountant.

Harvard Business School is niet de eerste die meetbaar probeert te maken wat bedrijven voor de wereld betekenen. Verschillende organisaties in verschillende landen – ook in Nederland – doen dat ook. „We proberen het werk dat anderen hebben gedaan niet te vervangen: er is al enorm veel werk verricht. Wij willen dat vooral een stap verder brengen”, zegt Rob Zochowski, onderzoeker en directeur van het initiatief, aan de telefoon. Het is juist goed, zegt hij, dat er meerdere organisaties aan hetzelfde werken, omdat het „zó complex” is. „De verschillende resultaten kunnen vergeleken en bekritiseerd worden.”

Het IWAI onderscheidt zich onder meer doordat er een academische instelling achter zit, zegt Zochowski, en dus niks hoeft „te verkopen”. Harvard Business School is de enige financier.

Tegelijkertijd, en dat is ook onderscheidend volgens Zochowski, is de zakenwereld er wel nauw bij betrokken in de raad van advies. Zo is Ronald Cohen, mede-oprichter van private-equityfirma Apax, daar de voorzitter van. Verder komt er iemand van consultancybedrijf McKinsey in, de overige namen worden in het najaar bekendgemaakt. De 29-jarige Zochowksi is zelf afkomstig van Goldman Sachs, een van de grootste zakenbanken ter wereld. Daar werkte hij zeven jaar.

Moeilijk te bevatten

Bij Harvard Business School geloven ze dat beleggers er grote behoefte aan hebben dat bedrijven in geld proberen uit te drukken wat ze de wereld opleveren en kosten. „Wat je nu ziet, is dat bedrijven bijvoorbeeld hun reductie van CO2-uitstoot of afval in hun jaarverslag melden”, zegt Zochowski. „Maar zulke cijfers zijn voor beleggers moeilijk te bevatten. Is dat veel? Is het weinig?” Als je dit soort prestaties in geld gaat uitdrukken, worden bedrijven onderling beter „vergelijkbaar”.

Een ander voorbeeld: sommige bedrijven melden hoeveel werknemers ze in een jaar hebben opgeleid. Maar dan weet je als belegger eigenlijk nog weinig, zegt Zochowski. „Heeft dat geleid tot een hoger salaris, waardoor ze niet meer in armoede leven?” Hoe het wel moet, weet hij nog niet precies, maar een mogelijkheid is te kijken naar de gezondheidswinst die samenhangt met meer inkomen en daar een prijskaartje aan hangen.

Het doel is de impact van een bedrijf te vertalen naar wat Zochowski noemt „de taal van het bedrijfsleven”. Dat betekent: een concreet bedrag in euro’s of andere valuta, dat in het jaarverslag staat. Ook op dit punt zegt Harvard Business School dat zijn initiatief zich onderscheidt van veel andere.

Het Nederlandse Impact Institute werkt wel al sinds 2012 aan een rekenmethode om een ‘maatschappelijke jaarrekening’ op te stellen. Daarmee is het zelfs al zo ver gevorderd dat grote bedrijven die gebruiken. Zo hebben ABN Amro, verfbedrijf AkzoNobel en netbeheerder Alliander al eens één gemaakt. En onder meer telecombedrijf KPN en spoorbeheerder Prorail zijn er nu mee bezig.

Zochowski heeft geen contact met het Impact Institute gehad, laat hij weten, maar is bekend met hun werk.

Voor een bedrijf lijkt het niet aantrekkelijk om te laten zien hoeveel het de wereld ‘kost’

Ergernis over hoe „ontzettend soft” bedrijven rapporteren over zaken als duurzaamheid motiveerde mede-oprichter Adrian de Groot Ruiz om het Impact Institute op te zetten. „Het overgrote deel van de beslissingen die bedrijven nemen, is financieel gedreven”, zegt hij. Dat wordt pas minder, is zijn overtuiging, als bedrijven net zo serieus rapporteren over hun „maatschappelijke impact” als over hun financiële resultaten.

De Groot Ruiz, opgeleid als econometrist, denkt dat niet alleen aandeelhouders behoefte hebben aan dit soort informatie, maar ook het publiek. „Bedrijven worden er hard op afgerekend als blijkt dat ze iets doen wat schadelijk is voor de maatschappij.”

Ook voorzitter Rients Abma van Eumedion, belangenvereniging voor institutionele beleggers, zegt dat heldere niet- financiële informatie belangrijker wordt voor zijn achterban. „Zij hechten er steeds meer aan dat een onderneming een positieve bijdrage levert aan de samenleving.” Zo hebben vijftig Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en vermogensbeheerders toegezegd dat zij vanaf volgend jaar rapporteren wat hun beleggingen voor het klimaat betekenen.

Lees ook dit verhaal over ‘true pricing’: Van banaan tot zuivel – boodschap kost vaak meer dan de prijs aan de kassa

Data uit alle hoeken en gaten

Voor een bedrijf lijkt het niet erg aantrekkelijk om te laten zien hoeveel het de wereld ‘kost’. Waarom zou het dat doen?

„Wij wilden het zelf graag weten, zodat we er iets aan kunnen veranderen”, zegt Tjeerd Krumpelman, bij ABN Amro verantwoordelijk voor alle niet-financiële verslaggeving. Over het jaar 2018 publiceerde de bank voor het eerst een maatschappelijke ‘winst-en-verliesrekening’ in euro’s, van 33 pagina’s. Volgens Krumpelman was ABN Amro de eerste bank ter wereld die zo’n document maakte.

Er valt wel nog veel te verbeteren, volgens hem. „Wat wij doen, is niet perfect.” Zo houdt ABN Amro het bij grove schattingen en zijn de cijfers niet gecontroleerd door een accountant. Het was dan ook geen onderdeel van het jaarverslag, dat 269 pagina’s telde.

Een voorbeeld van zo’n schatting: de bank houdt zichzelf verantwoordelijk voor 1 à 2 megaton CO2-uitstoot door het energieverbruik van zijn kantoren, en indirect door leningen, zoals hypotheken, en beleggingen voor vermogende particulieren. Voor elke ton CO2 rekent ABN Amro 110 euro. Dat bedrag is gebaseerd op „schadeposten” zoals een verminderde landbouwproductiviteit en een slechtere gezondheid van mensen. Dat leidt tot 100 à 250 miljoen euro aan kosten.

Het hele document maken, kostte volgens Krumpelman een half jaar. Overal binnen de bank moesten data worden opgediept. Hij kan zich voorstellen dat de grote hoeveelheid werk bedrijven „afschrikt”, maar hijzelf is al bezig met een soortgelijk rapport over het jaar 2019. Het doel is uiteindelijk om resultaten van verschillende jaren met elkaar te vergelijken, zegt Krumpelman. Zodat zichtbaar wordt hoeveel maatregelen om de schade te beperken – zoals het verduurzamen van huizenfinanciering en duurzaam beleggen voor klanten – nou eigenlijk helpen.

ABN Amro is een uitzondering. Tot nu toe doet slechts een beperkt aantal bedrijven een poging om (een deel van) hun impact in geld uit te drukken. Harvard Business School heeft ze gezocht en vond er wereldwijd zo’n vijftig, vertelt Rob Zochowski.

Langzame verandering

Geloven ze op Harvard dat de rest van de bedrijven het ook massaal zal gaan doen? „Ik ben een realist”, zegt Zochowski. „Dus nee, niet vanzelf.” Daarom betrekt Harvard er private equity en grote beleggers bij. „Als zíj het gaan eisen, zal dat een sterke invloed hebben.”

Hij gelooft in langzame verandering en wijst op een onderzoek van KPMG naar de honderd grootste bedrijven in 49 landen – 4.900 bedrijven in totaal. „Daarvan publiceerde in 1993 slechts 12 procent een duurzaamheidsverslag. Maar in 2017 was dat 75 procent. En dit zijn geen goedkope rapporten om te maken. Bedrijven doen het omdat beleggers erom vragen.”

Vooralsnog is het wachten op een methode die de algemene standaard wordt, vergelijkbaar met de status van de IFRS-regels die gelden voor financiële verslaggeving. Het ontbreken daarvan noemt Rients Abma van Eumedion „een groot hiaat”. Als het aan hem ligt, wordt dat snel opgevuld. „Maar dat zal nog een heel politiek debat worden.”

Harvard Business School heeft niet de illusie „dat we volgend jaar precies weten hoe we dit moeten doen”, zegt Zochowski. Hij heeft wel een deadline, maar wil die niet noemen. Het Impact Institute verwacht zijn methode de komende „vijf tot tien jaar” verder te ontwikkelen, zegt Adrian de Groot Ruiz. En ook daarna zullen aanpassingen nodig blijven. „Maar dat is niet anders bij de standaarden voor financiële verslaggeving.”

Uiteindelijk, zegt De Groot Ruiz, zullen alle initiatieven moeten „harmoniseren” tot één standaard. „Maar het probleem is nu eerder dat er te weinig mensen mee bezig zijn dan te veel.” Het instituut heeft zijn methode daarom open source gemaakt en ondergebracht in een stichting, vrij beschikbaar voor iedereen. „We hebben een brede beweging nodig, dus hoe meer zielen, hoe meer vreugd.” Dat een grote naam als Harvard zich er nu ook op stort, vindt De Groot Ruiz positief.

ABN Amro gebruikt de methode van het Impact Institute, maar het initiatief van Harvard vindt Krumpelman ook „een uitstekend idee”. „Laat ze het maar ontwikkelen, dan kijken we later wel wat het beste werkt.”