‘Warmte en voedsel, dat zijn primaire levensbehoeften’

Wat wil het dier? Wie dagelijks met dieren werkt, leert ze écht kennen. Deze week: reptielenzoo Serpo. „Ik mag komen opdraven als er ergens een giftige slang opduikt.”

Foto David van Dam

Op ooghoogte zit een enorme hagedis. Hij zet zijn poten tegen het glas en kijkt ons aan met glimmende ogen. Zijn dikke tong flitst in en uit, felroze en gespleten. „Zal ik het glas even weghalen?”, vraagt Walter Getreuer. Hij pakt de Argentijnse zwartwitte teju op en zet hem op zijn onderarm, waar hij maar net op past. „Kijk, hij is heel alert. Hij wil even kijken wie wij zijn”, zegt Getreuer. „Nou ja, ruiken eigenlijk. Met zijn tong haalt hij de geur naar binnen. Die strijkt hij dan af aan het Jacobson-orgaan in zijn gehemelte.”

Getreuer (1954) is de oprichter en eigenaar van Reptielenzoo Serpo. Vanaf 1992 runde hij die in Delft, met zo’n 30.000 bezoekers per jaar – het dubbele als je zijn reizende slangenexpo meetelt. In 2009 verhuisde de zoo noodgedwongen naar Den Haag, maar zonder publieksgedeelte. Dit najaar opent het gloednieuwe Serpo zijn deuren in Rijswijk. Voor het eerst in tien jaar kan het publiek dan weer genieten van de aanzienlijke collectie bijzondere dieren.

Politie en douane

In die tussenjaren heeft Getreuer niet stilgezeten. „Ik vang dieren op die in beslag zijn genomen. Maar daar mag ik niets over vertellen”, zegt hij met een knipoog, terwijl hij de teju terugzet in zijn hok. „Ik geef ook cursussen aan de douane, de politie en het leger. Ik lever slangengif en bevruchte reptieleneieren aan universiteiten, voor wetenschappelijk onderzoek. En ik mag komen opdraven als er ergens in Nederland een giftige slang opduikt.” Dat laatste gebeurt gelukkig zelden, benadrukt hij. Maar als het gebeurt, dan levert het een mooi verhaal op: „Stel je voor, de hele Rotterdamse haven in rep en roer omdat er een cobra is meegevaren op een containerschip”, grijnst hij. „De Maleisische bemanningsleden halen dan hun schouders op: die hebben die beesten thuis in hun achtertuin. Niks aan de hand, als je ze gewoon met rust laat.”

Walter Getreuer met reptielen en hun voedsel. Foto’s David van Dam

De warme opvangruimte ruikt naar natte bosgrond. Naast en boven elkaar staan glazen bakken vol slangen en hagedissen. In open kisten op de grond scharrelen schildpadden, behaaglijk onder een warmtelamp. „Soms krijgen we een enkele slang binnen, soms ineens honderd kaaimannen of schildpadden”, vertelt Getreuer. „Die gaan vaak naar kweekprogramma’s in Europa. We hebben ook weleens een lading van 5.000 schildpadden opgevangen. Die gingen weer terug naar het land van herkomst.”

Als kind was Getreuer al dol op reptielen. „De eerste die ik ving, was een adder”, vertelt hij. „Acht jaar was ik. Ik pakte hem heel voorzichtig op en nam hem mee naar huis in een plastic doosje. Mijn vader pakte de Winkler Prins erbij en ontdekte dat het een adder was. Toen moest ik hem wegdoen. Heel kwaad was ik daarover.”

De passie was geboren. De kleine Walter ging hagedissen vangen in de duinen. „Dat was toen nog legaal”, zegt hij. „En van een reptielengroothandel kreeg ik zieke dieren mee naar huis. Als ze dan weer beter waren, dan gaf ik ze terug. Of ik mocht ze houden.” Hoeveel hij er mocht houden, hing af van zijn rapportcijfers. „Ik vond een vijfeneenhalf genoeg, maar daar dachten mijn ouders anders over.”

Stierslangen in de duinen

We lopen verder langs de bakken. „Een albino tijgerpython”, wijst Getreuer. „En dit zijn stierslangen. Iemand heeft er ooit een paar losgelaten bij Wassenaar. Nu vind je ze regelmatig in de duinen. Niet giftig, hoor.” Spinnen vindt hij ook mooi. Op zijn telefoon laat hij een foto zien die hij laatst toegestuurd kreeg: een reusachtige zwarte spin in een limonadeglas. „Die zat op de bananen bij de La Place. Het zou zomaar een vioolspin kunnen zijn. Behoorlijk giftig. Maar op deze foto is dat niet goed te zien.”

Dierenarts worden, dat wilde hij vroeger. Maar hij werd uitgeloot. „Toen heb ik een tijdje elektrotechniek gestudeerd. Ik ben handig, ik wil altijd van alles in elkaar zetten. Maar in die tijd werd ik steeds actiever in de reptielenvereniging Lacerta. En ik hielp bij het organiseren van een grote gifslangententoonstelling, in 1982. Toen ben ik maar gestopt met mijn studie. Ik ben een alles-of-niets-mannetje.” Zijn pretogen glinsteren: „Maar uiteindelijk is het met mij toch redelijk goedgekomen.”

Allemaal geweldig

Een bonte varaan, zo groot als een teckel, kijkt toe vanaf een boomstam in een terrarium. Is het niet zielig, zo’n groot reptiel in zo’n kleine bak? „Warmte en voedsel, dat zijn zijn primaire levensbehoeften”, zegt Getreuer. „Als je daaraan voldoet, dan is hij tevreden op een paar vierkante meter, net zoals in de natuur.”

Hij heeft geen favoriet dier. „Ik vind ze allemaal geweldig. Vooral als er een verhaal achter zit. Sommige komen hier onder dwang van echtgenotes. ‘Die slang eruit, of ik eruit.’ Dan is het meestal de slang.” Hij grinnikt. „Niet altijd, overigens.”

Getreuer toont trots het nieuwe publieksgedeelte: zaal na zaal met reusachtige, half afgebouwde verblijven, vol boomstammen, waterpartijen, bruggetjes, weelderige planten. „Die groeien op krokodillenmest. De beste mest die er is.” In de herfst is alles klaar, verzekert hij. Alles heeft hij zelf ontworpen, veel klust hij ook zelf in elkaar, met hulp van zijn zeven medewerkers. Het doet niet onder voor de beste dierentuinen.

„Mensen enthousiast maken voor de natuur, dat wil ik”, zegt Getreuer. „Dat ze er wat beter voor gaan zorgen. Ik wil niet dat iedereen reptielen als huisdier gaat houden, beslist niet. Je moet echt weten wat je doet. Ik vind eigenlijk dat iedereen die er een wil kopen, een soort examen zou moeten doen. Ja, ook voor het houden van honden en katten.” Hij lacht even schalks. „En kinderen.”