Foto Annabel Oosteweeghel

‘Ik ben zelf een placebo geworden’

Zomeravondgesprek Illusionist Victor Mids weet hoe makkelijk mensen te conditioneren zijn. Gezondheidspsycholoog Andrea Evers gebruikt dat gegeven om mensen zich beter te laten voelen. Een gesprek over Pavlov, gedachten lezen en tomatensoep.

Andrea Evers vouwt haar handen samen, steekt haar wijsvingers naar boven en duwt ze naar buiten, van elkaar af. „Kijk naar je vingertoppen”, zegt Victor Mids. „En blijf kijken. Blijf… kijken…” Hij laat zijn stem dalen, Andrea duwt en duwt. Haar vingers trillen van de inspanning. „Zie je”, zegt Victor, „dat ze langzaam naar elkaar toe trekken, ook al wil jij dat niet?”

„Ja!”, zegt Andrea. Ze lacht. Hoe kan dat nu weer?

„Vermoeidheid in de pezen”, zegt Victor. „Maar in een show zeg ik dat natuurlijk niet. Ik zeg: je vingers trekken naar elkaar toe als magneten, en hoe meer je weerstand biedt, hoe sterker je hun kracht voelt.”

Andrea kijkt nog steeds naar haar vingers, die elkaar nu bijna raken.

„Zo test ik”, zegt Victor, „welke mensen in de zaal hoogsuggestief zijn. En wie dus gemakkelijk te hypnotiseren is.”

„Ik”, zegt Andrea. Het verbaast haar niet. Ze weet van zichzelf dat ze graag meegaat met suggestie en gemakkelijk van vertrouwen is. „Ik vind dit soort experimenten niet doodeng, want ik verwacht” – ze zit te wippen op haar stoel – „dat ze leuk zijn.”

Wil Victor, vragen wij, haar nu dan even onder hypnose brengen?

Maar nee, daar begint hij niet aan, zo midden in een restaurant, aan het begin van een avond waarop hij, dat is de bedoeling, práát met Andrea en geen trucs met haar uithaalt. En hij voelt zich niet lekker. Hij denkt dat hij ziek is.

„Ziek?”, zegt Andrea. „Dan ga ik een beetje afstand houden.” Ze leunt naar achteren en meteen weer naar voren. „Niet echt, hoor. Als iemand bij mij in de buurt ziek is, zeg ik tegen mezelf: ik heb een heel goed immuunsysteem. Als ik een griepje voel opkomen of op vakantie naar een vieze wc moet, bah, overal bacteriën, dan denk ik: immuunsysteem mobiliseren!”

„Grappig”, zegt Victor. „Ik doe precies hetzelfde, en niet ingewikkelder dan dat. Je bent uiteindelijk het verhaal dat je over jezelf vertelt en ik vertel mezelf dat ik een persoon ben met een goed immuunsysteem die niet vaak ziek wordt.”

En dat werkt?

„Geen idee”, zegt Andrea. „Er is geen wetenschappelijk bewijs voor.”

„Geen idee”, zegt Victor. „Maar baat het niet, dan schaadt het niet.”

Victor Middelkoop (32), artiestennaam Victor Mids, is illusionist en arts, niet praktiserend. Hij maakt met zijn compagnon en oude schoolvriend Oscar Verpoort het populairwetenschappelijke televisieprogramma Mindf*ck (twee miljoen kijkers). Ze schreven samen ook het boek Mindf*ck, 101 illusies en experimenten.

Andrea Evers (52) is hoogleraar gezondheidspsychologie aan de Universiteit Leiden. Ze kreeg in juni de Stevinpremie (tweeënhalf miljoen euro) voor haar gedragswetenschappelijk gezondheidsonderzoek, onder andere naar de effecten van placebo (positief) en nocebo (negatief) in de geneeskunde. De Stevinpremie is in Nederland met de Spinozapremie de hoogste wetenschappelijke onderscheiding.

Het is haar idee om met Victor dit zomeravondgesprek te doen. In zijn werk en in haar werk, zegt ze, gaat het over vertrouwen, over al dan niet bewuste verwachtingen en hoe die te sturen zijn. Ze denkt dat Victor en zij van dezelfde psychologische mechanismen gebruik maken, met conditionering als belangrijkste.

Pavlov. De hond begint al te kwijlen als die het geluid van de voederbak hoort. Een mens begint zich al beter te voelen, of juist slechter, als die een dokter in een witte jas ziet. Een lichaam kan ontstekingsremmende of andere stoffen gaan aanmaken, ook als het medicijn waaraan het gewend is geraakt geen werkzame middelen meer bevat. Dat hebben Andrea Evers en andere onderzoekers aangetoond in het laboratorium.

Ze komt uit Duitsland, Sauerland. „Zo mooi daar”, zegt ze. „Bossen, meren, de Möhnesee. Als ik daar met mijn moeder ben, word ik altijd blij.”

„Klinkt alsof je daar nooit had moeten weggaan”, zegt Victor.

„Toch wel. Ik ben weggegaan om te studeren, in Bielefeld en in Amsterdam. Mijn vriend was daar al en op een keer liep ik over de Keizersgracht langs Felix Meritis. Ik dacht dat het een gebouw van de universiteit was. O, als je toch op zo’n mooie plek zou kunnen studeren. Ik heb een beurs aangevraagd om mijn masterscriptie in Amsterdam te doen.”

„Waarom psychologie?”, vraagt Victor. „Ik heb daar zelf ook lang over nagedacht.”

„En ik over geneeskunde. Ik was dertien, veertien jaar en ik dacht: wat is erger, dat je een been kwijt bent of dat je er niet mee kunt omgaan dat je een been kwijt bent. Wat is de essentie van jezelf? Wanneer raak je je identiteit kwijt? Ik dacht: psychologie is nóg belangrijker.”

En psychiatrie?

„Mijn vader was psychiater. Maar psychiatrische ziekten, wanen en psychoses en schizofrenie, vond ik niet het meest fascinerend. Hoe je zo fit mogelijk kunt zijn, zo gezond mogelijk, dat interesseerde me. Hoe kan het dat stress mijn lichaam beïnvloedt? Hoe wordt je lichaam beïnvloed door je geest?”

Foto Annabel Oosteweeghel

„En andersom”, zegt Victor. „Hoe wordt je geest beïnvloed door je lichaam.”

„Ik heb in een ziekenhuis gewerkt als medisch psycholoog”, zegt Andrea. „Ik heb gezien dat je helemaal niets met je geest kunt als je een ernstige ziekte hebt. Mensen kunnen zo veel pijn hebben, of jeuk, dat ze suïcide willen plegen. Zodra de pijn weg is, is de geest weer op orde. Dus Victor, het was aanmatigend van mij om te denken dat de geest belangrijker is. Waarom werd het bij jou geneeskunde?”

„Mijn vader. Ik bleef twijfelen en hij adviseerde: geneeskunde. En toen werd ik ingeloot.”

Hij komt uit Delft en studeerde in Rotterdam en Leiden. Hij zou voor neurologie of psychiatrie hebben gekozen als hij na zijn artsexamen niet fulltime was gaan goochelen. „Mijn opa had een goocheldoos staan”, zegt hij. „Zo is het begonnen.”

„O ja, natuurlijk”, zegt Andrea. „De goocheldoos van opa.”

„Maar echt, hoor. Een klassieke hanky-panky goocheldoos. Ik was vier en vond het meteen leuk. Mijn zussen waren mijn proefkonijnen. Ik kon ze dingen laten zien die ze niet begrepen. Een muntje laten verdwijnen en dan uit de lucht pakken. Ik vond dat buitensporig interessant. Het is nog steeds mijn drijfveer. Mensen de verwondering laten ervaren van iets zien dat ze niet begrijpen.”

„Grappig”, zegt Andrea. „Ik ben ook klinisch psycholoog, ik behandel mensen met een chronische ziekte en ik zeg altijd tegen ze dat ze zich juist niet hoeven te verwonderen, dat het heel goed te begrijpen is hoe ziekte en gezondheid worden beïnvloed door wat je verwacht. Alleen al het woord ziekenhuis.” Haar stem schiet omhoog. „Je wordt geprimed om ziek te zijn. Zeg liever gezondheidscentrum.”

Haar droom is om mensen met een chronische ziekte als reuma, de ziekte van Crohn, psoriasis of multiple sclerose minder medicijnen te laten slikken door hun lichamelijke reactie op die medicijnen te conditioneren. Het lichaam kan door de verwachting dat het een bepaalde werkzame stof krijgt toegediend die stof zelf gaan aanmaken.

Halverwege de avond vertelt Andrea dat ze een keer live op televisie een (niet-wetenschappelijk) experiment heeft gedaan met wielrenners op de korte baan. Ze gaf hun een zogenaamde Rio-pil – de Olympische Spelen in Rio de Janeiro waren net voorbij – en zei dat die hen zou helpen om harder te rijden.

„En?”, vraagt Victor.

„Bij de meesten werkte het, tot mijn verbazing. En mijn opluchting. Eén geïsoleerde suggestie is normaal niet voldoende voor een groot effect, of überhaupt een effect.”

„Maar er was nog een suggestie”, zegt Victor. „Of een placebo, hoe je het noemen wilt. De camera.”

„O ja? De camera als placebo?”

„Het werkt supersterk”, zegt Victor. „Waarom zou ik met drie camera’s en een geluidsman komen als ik iets ga doen dat niet werkt? Je voedt mensen met de suggestie dat het natuurlijk wel gaat werken. Die sporters gingen misschien alleen maar harder fietsen vanwege die camera.”

Andrea valt even stil en begint dan te lachen.

„Ik ben zelf ook een placebo geworden”, zegt Victor. „Het klinkt arrogant, maar als mensen me alleen al zíen…”

„…vallen ze flauw.”

„Wat ik bedoel is dat het voor mij twintig procent gemakkelijker is geworden om mensen te hypnotiseren sinds ik op televisie ben en ze weten dat ik het kan.”

„Twintig procent? Jeetje, dat is veel. Bekendheid…”

„…is een suggestie an sich.”

„Hm, hm. Ik heb een beetje hetzelfde. Als ik een lezing geef – ik geef elke week wel ergens een lezing – dan zeg ik tegen de mensen: jullie zijn alleen al geneigd om te geloven wat ik ga zeggen door het feit dat ik hier sta en gezien word als expert. Maar Victor, wat jij in je show zegt hoeft niet waar te zijn, toch?”

„Dat is part of the format, daar ben ik altijd eerlijk over. De claim dat ik wetenschappelijke principes gebruik is waar. De claim dat er dubbele bodems zijn, is ook waar. Het risico zou kunnen zijn dat mensen geloven dat ik meer kan dan ik kan. Als ik bij jou gedachten ga lezen, dan lever ik meteen het bewijs: ik zeg waar je aan denkt. Daar kan ik dan een heel verhaal omheen draperen. Dat ik het van een geest doorkrijg, of een stem hoor, of dat het mijn zesde zintuig is…”

„…en dat is niet zo.”

„Nee, natuurlijk niet.”

Een uitzending van Mindf*ck, bij Mark Rutte in het Torentje. Victor: „Zou je willen denken aan de naam van iemand die je dierbaar is?” Rutte: „De naam?” Victor: „Ja. Aan wie zit je te denken?” Rutte: „Mijn nichtje.” Victor: „Je nichtje?” Waarop hij de stropdas pakt die hij net voor een eerdere truc gebruikt heeft, eroverheen wrijft en de naam Barbara laat verschijnen. Rutte, lachend: „Onmogelijk. Dit kan niet. Ik word helemaal gek.” Hij zegt wel zeven keer dat hij er niets van snapt. En: „Ik ga je nu langdurig martelen om te horen hoe je dit doet.”

De truc met Mark Rutte.

In de truc daarvoor had Victor Mark Rutte voor een tafel gezet met de foto’s van alle premiers sinds 1848. Wie waren zijn zeven favorieten? Wilde hij die even naar eigen inzicht en in volgorde van belangrijkheid ophangen? Toen Rutte klaar was liet Victor zien dat de eerste letters van de namen een acrostichon vormden: TULP en DAS. Thorbecke. Den Uyl. Lubbers. Pierson. Drees. Van Agt. Schermerhorn. Dan mag Rutte het doosje openmaken dat Victor hem eerder al gegeven heeft. Daar komt een stropdas met een tulp erop uitrollen.

Hoe doet Victor dat?

„Kan ik niet zeggen.”

„Heb je voorgesprekken?”, vraagt Andrea.

„Nee, nooit. Ik ontfutsel mensen niets en het is geen toveren.”

„Maar wat dan wel?”, vraagt Andrea.

„Voorbereiding. Maanden onderzoek.”

„En dan weet jij wie Ruttes favoriete premiers zijn en dat hij hun foto’s precies in die volgorde gaat ophangen?”

Victor lacht. „Ik ga het echt niet vertellen. Je zou alleen maar denken: o ja, slim, leuk. Je zou er niets van leren. Want anders doe ik het wel, hè. Mensen uitleggen hoe het geheugen werkt, hoe je aandacht kunt sturen.”

„En hoe aandacht werkt”, zegt Andrea.

„Daar begint het mee.” Hij pakt het koekje bij zijn gemberthee, legt zijn vingers eroverheen en beweegt zijn hand in een parabool door de lucht. Dan doet hij zijn hand weer open: geen koekje. Dat heeft hij in zijn andere hand. „Het zit hem in die boogvormige beweging”, zegt hij. „Je ogen zijn geneigd die langer te volgen dan een rechte lijn. Van een rechte lijn is het eindpunt voorspelbaar. Een boog is interessanter.”

„Wat grappig! Wist ik niet.”

„Maar er is meer”, zegt Victor. „Ik ben je al aan het conditioneren als jij denkt dat ik nog niet begonnen ben.”

„Je doet iets met mijn verwachting”, zegt Andrea.

„Daar speel ik mee.”

„Maar die boog, Victor, om dat te weten moet je wel de wetenschappelijke literatuur bijhouden.”

„Ja, ja. Ik studeer veel. Gedragswetenschappen, neuropsychologie, linguïstiek.”

„Taal!”, zegt Andrea. „Welke woorden een arts gebruikt, de suggesties die ervan uitgaan. Zo belangrijk. Dat onderzoeken wij dan weer in het lab. We zouden heel mooi samen onderzoek kunnen doen.”

Victor bladert in zijn boek en stopt bij het hoofdstuk neurolinguïstisch programmeren. „Alleen al het verschil in het effect tussen ‘maar’ en ‘en’. Vandaag is het mooi weer, maar morgen regent het. Je communiceert twee feitjes, maar bij ‘maar’ wordt de regen het belangrijkst. Dat is wat mensen onthouden.”

Begin juli had Andrea een internationaal congres georganiseerd over placebostudies en Victor had aangeboden om daar een show te geven. Hij kon bij nader inzien niet, maar wat zou hij gedaan hebben als hij gekomen was?

„Ik denk iemand hypnotiseren”, zegt hij. „En dat iemand dan zijn naam niet meer kan uitspreken.”

„Had het voor jou wat uitgemaakt dat er driehonderd mensen in de zaal zaten die veel van deze mechanismen weten?”

„Ik zou me er geen zorgen over hebben gemaakt. O, interessant verhaal, Amir Raz…”

„Die ken ik heel goed.”

„…heeft de Stroop-test onder hypnose gedaan en…”

„Een klassiek waarnemingsexperiment”, zegt Andrea.

„…daarmee een heel mooi bewijs geleverd dat er daadwerkelijk iets gebeurt, dat mensen zich echt kunnen overgeven aan suggestie.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Amir Raz is een Canadese neurowetenschapper, hoogleraar aan de McGill University in Montreal. De Stroop-test is genoemd naar degene die hem bedacht heeft, John Ridley Stroop. In 1935.

Victor heeft intussen in zijn boek het hoofdstuk over de test opgezocht. Een reeks van acht woorden: namen van kleuren in de kleur die ze uitdrukken. Dan dezelfde reeks, maar nu is het woord geel rood, het woord blauw geel, het woord oranje blauw, enzovoort. De test is: benoem de kleuren van de eerste reeks en daarna de kleuren van de tweede reeks. Bij de tweede reeks raak je al snel in de war.

„Alleen al dat je niet naar een woord kunt kijken zonder het te lezen”, zegt hij. „Dat vind ik zo fascinerend.”

Andrea: „Je kijkt en meteen is het: betekenis en verwachting.”

„En je kunt het niet tegenhouden. Het is totaal geautomatiseerd.”

Wat Amir Raz gedaan heeft, samen met onder anderen Irving Kirsch van Harvard Medical School: mensen suggereren – hypnose was niet eens nodig – dat ze geen woorden meer herkenden. En wat er gebeurde was dit: ze benoemden de kleuren van de tweede reeks veel gemakkelijker.

We vragen wat voor onderzoek Andrea met Victor samen zou willen doen.

„Hoe snel mensen te beïnvloeden zijn”, zegt ze. „De eerste dertig seconden als je bij een arts binnenkomt, wat er dan allemaal gebeurt.”

„Hoe een arts over de gang loopt”, zegt Victor. „Daar begint het al mee. Ook heel interessant: hoe je suggestief taalgebruik kunt inzetten om een boodschap over te dragen.”

„Het maakt zoveel uit”, zegt Andrea, „of een arts zonder iets te zeggen een recept uitschrijft of uitlegt wat een medicijn doet en waarom het je beter kan maken.”

„Stel dat ik iemand zijn voet aan de grond wil laten plakken”, zegt Victor. „Dan wil ik er geen enkele twijfel over laten bestaan dat de truc zal lukken. Die voet blijft op de grond. Ik zal nooit zeggen: voel je iets? Altijd: omschrijf eens wat je voelt. De implicatie is dat hij sowieso iets gaat voelen. Een patiënt die bang is voor een injectienaald kun je laten kiezen: wil je hem in je linker- of je rechterarm.”

„Maar die naald gaat erin”, zegt Andrea.

Politici kunnen daar ook wel wat mee, zeggen wij.

„Trump”, zegt Victor. „Focus versmallen en blijven herhalen. De klassieke middelen om mensen onder hypnose te brengen.”

„Obama deed het ook”, zegt Andrea. „Yes we can! Een vorm van maatschappelijke conditionering. Toen mensen vonden dat hij zijn beloften niet had waargemaakt werkte het andersom. Het werd een nocebo.”

En Mark Rutte? Gebruikt hij technieken van een illusionist?

Lees ook het opiniestuk van wetenschapsfilosoof Herman de Regt: Hou het bij goochelen, Victor. Mindf*ck schaadt psychologie

Victor: „Tijdens de show was ik heel erg geconcentreerd op wat ik met hem ging doen, dus ik heb er niet zo op gelet. Ik moest mijn hele gereedschapskist klaar hebben staan om te kunnen reageren op wat hij zou zeggen. Maar wat hij zeker doet: je het gevoel geven dat je elkaar al jaren kent.”

Hoe doet hij dat?

„Even aanraken, je bewegingen spiegelen. Dingen die ik ook doe. Als ik jouw lichaamshouding een paar keer losjes spiegel terwijl we zitten te praten en ik knik daarna ja terwijl ik je iets vraag te doen, dan zul je eerder geneigd zijn om dat ook inderdaad te doen.”

„Wij moesten als team optreden bij een subsidieaanvraag”, zegt Andrea. „We hadden met elkaar afgesproken dat we allemaal ‘ja’ zouden gaan zitten knikken als een van ons iets zei.”

„Het werkt gewoon”, zegt Victor. „Je kunt dat mechanisme bijna niet uitzetten.”

Als de avond bijna voorbij is vertelt hij over een experiment om het effect van ghreline te testen, het hormoon dat aanzet tot eten. „Niet zelf bedacht”, zegt hij. „Ik had het overgenomen uit een wetenschappelijk onderzoek en er entertainment van gemaakt.” Een tafel met twee borden en eronder een slang naar een reservoir vol tomatensoep. Dat stond iets hoger, waardoor de borden gevuld bleven, hoeveel de proefpersonen ook aten. „Ze bleven drie kwartier dooreten”, zegt Victor.

„Echt?” zegt Andrea.

„Liters soep. Je stopt dus niet.”

„Heel goed om die kennis in te zetten om Nederland gezonder te krijgen.” Dat is ook een droom van Andrea: mensen met de inzet van psychologische mechanismen, zoals beloningen, minder te laten eten en meer te laten bewegen.

Foto Annabel Oosteweeghel

We vragen aan Victor hoe lang hij denkt dat het leuk blijft, illusionist zijn. Andrea zegt: „Hoogleraar illusionist in de medische zorg. Dat wil je toch worden?”

Victor: „Dat idee had ik tijdens mijn coschappen. Ik heb het wel eens gezegd in Arts in Spe.”

„Ik denk dat je je vak graag met de wetenschap wilt combineren.”

„Die stap wil ik wel gaan zetten, ja.”

„Echt meedoen.”

„Ja, ja.”

Mag Victor bij Andrea komen promoveren?

Andrea: „Ja.”

Victor, verrast: „Zo.”

Andrea: „Ga maar wetenschappelijke experimenten bedenken. Die eerste dertig seconden, daar ben je goed in.”

Victor: „Ik zal mijn management contact met je laten opnemen voor een afspraak. Ik heb al veel ideeën.”