Recensie

Recensie Boeken

Het meisje dat onder de tafel bivakkeerde

Eva Coolen Haar debuut vult zich niet met gebeurtenissen, maar met gedachten. Daardoor is op een gegeven moment niet meer duidelijk of een kind vrijuit gaat, als slachtoffer van de grillen van haar moeder.

Het moederpersonage roept om aandacht. Literaire moeders stappen steeds meer uit hun zorgrol en meten zichzelf ter vervanging, gewild of ongewild, een theatrale persoonlijkheid aan, vaak op het ziekelijke af. Kijk, ik ben niet alleen moeder, lijken ze te willen zeggen. Ik ben ook mens.

Anders dan in bijvoorbeeld Houtrot van Rinske Hillen of Dorst van Esther Gerritsen weten we in Het zeemonster of de zee van debutant Eva Coolen niet of het kind in kwestie wel helemaal vrijuit gaat, als slachtoffer van de grillen van haar moeder. Het is in deze roman de volwassen dochter die zich tijdens haar moeders verhuizing onder de tafel verstopt. En ze weigert eronder vandaan te komen. Moeder Ellen en broer Noah blijven naast haar neerhurken om haar bij zinnen te krijgen, maar de jonge vrouw houdt dapper vol.

Het zeemonster of de zee vult zich niet met gebeurtenissen, maar met gedachten: zittend onder die tafel uit de naamloze ik haar twijfels over de wereld. Over haarzelf komen we weinig te weten: ze werkt in een avondwinkel om het schilderlicht van overdag optimaal te benutten, maar haar persoonlijkheid moeten we vooral uit haar manier van denken opmaken. Die kenmerkt zich door gedachtesprongen, die alleen via een metaforisch pad naar de huidige conversatie teruggeleid kunnen worden.

De ik vertelt niet dat ze eenzaam is, maar schotelt ons een Japanse legende voor. De ik zegt niet dat ze het koud heeft, maar onderwijst ons in de gevolgen van onderkoeling. De ik laat niet weten wat ze voor haar moeder voelt, maar lepelt een herinnering op waarin zij haar kinderen onheus behandelde.

Maar waarom ze dagenlang onder die tafel bivakkeert, daar komen wij noch zijzelf achter. Broer Noah bestempelt het als een theatrale daad: waarom doet ze dat in het huis van haar moeder, en niet gewoon in haar eigen woonkamer?

Die neiging de wereld als een toneelpodium te zien keert terug in de dramatiek waarmee de jonge vrouw herinneringen ophaalt: ‘We dachten dat ons leven nog moest beginnen’, mijmert ze, ‘en toen het eindelijk kwam, deelde het nog meer klappen uit dan we al gehad hadden toen we dachten dat het nog niet begonnen was.’

Waarom die jeugd zo vreselijk was, valt moeilijk te bevatten. De conversaties tussen dochter, broer en moeder zijn een herinneringendoolhof waarin niemand meer weet wat echt gebeurd is en wat verzonnen. Bleekte Ellen het haar van haar kinderen echt met citroen voordat ze naar school gingen, zodat ze meer op haar zouden lijken? Liet moeder haar kinderen afzwemmen in een complete outfit met lange ribfluwelen broek, laarzen, bodywarmer en al?

Die gebeurtenissen zijn twee kanten op te beredeneren. Ellen probeert zichzelf vrij te pleiten: hoe test je anders of een kind zich van de verdrinkingsdood kan redden? Het ik-personage heeft vooral het gevoel dat haar onrecht is aangedaan. Haar gedachtesprongen zijn origineel, maar ook lastig mee te voelen. Soms lijkt de hele situatie vooral een handig vehikel om zoveel mogelijk losse, originele gedachten in één vertelling te krijgen. Mooi gevonden zijn ze wel. De volgende keer mogen ze plaatsnemen in een steviger verhaal.