Opinie

Gemiste koloniale geschiedenis, gemiste kans

Indonesië

De bloedige strijd in Indonesië in de jaren 1945-’49 beneemt Nederland het zicht op de politieke strijd voor onafhankelijkheid die al decennia eerder begon. De leiders van die strijd verdienen eindelijk erkenning, schrijft .

Illustratie Michiel Wijdeveld

Amsterdam heeft besloten op IJburg 27 straten te vernoemen naar antikoloniale verzetsmensen in Indonesië, op de voormalige Nederlandse Antillen en in Suriname. Dat is een belangrijke stap om meer diversiteit te creëren in de publieke ruimte. De discussie over de ‘dekolonisatie’ van die ruimte ging tot nu toe vooral over het wel of niet weghalen van standbeelden en straatnaamborden van gevallen koloniale helden, zoals Jan Pieterszoon Coen (1587-1629). Een belangrijk debat, maar met de vernoeming naar deze verzetsstrijders komt er juist meer aandacht voor de hier vrij onbekende Indonesische, Surinaamse en Antilliaanse geschiedenis.

Twee vrouwelijke Indonesische politici krijgen een straatnaam, waaronder journaliste Soerastri Trimoerti die in 1947 minister van werkgelegenheid werd. Ook de politici Roestam Effendi, Tan Malaka, en Nico Palar krijgen een straat. Maar opvallend genoeg ontbreken de namen van de drie grondleggers van de Republiek Indonesië: Soetan Sjahrir, Mohammed Hatta en Soekarno, respectievelijk premier, vicepremier en eerste president van Indonesië. De gemeente lijkt de intensieve politieke en diplomatieke strijd in Indonesië verder uit de weg te gaan met de nieuwe Merdekagracht (‘Onafhankelijkheidsgracht’).

Het is geen incident dat deze drie politieke denkers en aartsvaders van een vrij Indonesië onbenoemd blijven. Het is symptomatisch voor het pijnlijke onbegrip dat in Nederland nog steeds geldt voor de betekenis in Indonesië van de onafhankelijkheid, die na een langdurige strijd op 17 augustus 1945 door Soekarno en Hatta werd uitgeroepen.

Illustratie

Michiel Wijdeveld

Nederland erkende die onafhankelijkheid niet en gaf zijn claim op het land pas op na een bijna vijf jaar durend bloedig conflict: op 27 december 1949, dit jaar zeventig jaar geleden. Dat is de datum van de soevereiniteitsoverdracht, die in Nederland nog steeds geldt als het officiële begin van een onafhankelijk Indonesië. Maar in Indonesië zelf zegt die datum zo goed als niets.

‘17 augustus 1945’ is in het Nederlandse debat blijven staan in het teken van de oorlog die erop volgde, de zogenoemde ‘politionele acties’. Er kwam geen erkenning voor de langdurige politieke strijd door Indonesiërs, hun voorvechters en hun vrijheidsideeën, die al begon in het begin van de eeuw. Maar de erkenning ervan is nodig om tot een werkelijke postkoloniale relatie met Indonesië te komen.

Geen tijd voor pijnlijke vragen

Dat er lang voor de gewelddadige Indonesische onafhankelijkheidsstrijd van 1945-1949 al een intensieve politieke strijd om de vrijheid van Indonesië is gevoerd – zoals tegelijkertijd ook in andere Westerse koloniën zoals India – kreeg in Nederland nooit veel aandacht. Na de Tweede Wereldoorlog ging het over de economische opbouw en de gedachte dat de liberale democratie na 1945 definitief had overwonnen in een Europa dat aan eenwording werkte: voor pijnlijke vragen over ‘wie wij zijn’ was geen ruimte.

Lees ook: Ik heb heimwee naar een plek die ik niet ken

Ook was Nederland er lang van overtuigd dat ze vooral een ‘ethische’ rol in haar koloniën had gespeeld, en dat er vrijwel geen vrijheidsdrang van Indonesiërs was geweest. Er gaan zelfs weer stemmen op voor een herwaardering van de koloniale tijd. Zo verheerlijkt Thierry Baudet de koloniale rol van Nederland. In haar recente boek Insurgent Empire: Anticolonial Resistance and British Dissent betoogt de Britse wetenschapper Priyamvada Gopal dat het benadrukken van de goede aspecten van kolonialisme door internationale wetenschappers en politici voortkomt uit de „vergetelheid” en „mythevorming” waarin niet alleen de gewelddadigheid van de koloniale staat, maar óók het verzet binnen en buiten de koloniën is geraakt.

Die antikoloniale Indonesische strijd werd voor de Tweede Wereldoorlog gevoerd in Indonesië zelf, maar ook in Nederland door Indonesische studenten van de nationalistische vereniging Perhimpoenan Indonesia. De nationalisten Mohammed Hatta en Soetan Sjahrir, die respectievelijk in Rotterdam en Amsterdam studeerden, maakten er deel van uit.

In 1933 kwam Hitler aan de macht en begon – ook tot onze ontzetting – politieke tegenstanders op te sluiten. Maar weinigen weten dat Nederland dat toen óók deed. In hetzelfde jaar stond de nationalist Soekarno (1901-1970) voor de Landraad in Bandoeng omdat hij het boekje Mentjapai Indonesia Merdeka (‘het bereiken van Indonesische vrijheid’) had geschreven. Soekarno verdedigde zijn doel: een onafhankelijk Indonesië, via een wettig gerechtvaardigde strijd, „gelijkend op de arbeidersstrijd in Europa”. Volgens de raad kwam het echter neer op de streken van een kind dat vrij wilde zijn van „het ouderlijk gezag”, een uiting „van haat tegen de betrokken ouders.”

Soekarno merkte nuchter op dat Indonesiërs niet uit de regering waren geboren, waarmee hij de essentie van de Nederlandse bevoogding te pakken had. Soekarno werd verbannen naar het eiland Flores.

Ondraaglijk heet en geestdodend

Een jaar later, in 1934 werden ook Sjahrir en Hatta gearresteerd en verbannen naar het concentratiekamp Boven-Digoel in Nieuw-Guinea, een ondraaglijk heet en geestdodend oord waar veel malaria heerste. Sjahrir (1909-1966) heeft de uitingen van het Nederlandse kolonialisme, zoals het negeren van de rechtspositie van miljoenen Indonesiërs, vanuit zijn ballingschap treffend beschreven in zijn brieven die in 1945 werden uitgegeven als Indonesische Overpeinzingen.

Commentaar: Nederland op zoek naar de goede kant van de geschiedenis

Het Indonesische vrijheidsstreven werd in Nederlands-Indië monddood gemaakt, maar dat voorkwam niet dat de politieke ideeën zich verspreidden en aan populariteit wonnen. Soekarno was in 1930 ook al gevangengezet, nadat hij de Partai Nasional Indonesia (PNI) had opgericht, een anti-imperialistische, antikapitalistische onafhankelijkheidspartij. Tijdens zijn proces bij de Landraad in Bandung las hij zijn bevlogen speech Indonesië klaagt aan voor.

Hatta (1902-1980) was als student in Nederland betrokken geraakt bij een internationaal comité tegen imperialisme en ging samenwerken met Jawaharlal Nehru, de leider van de nationalistische beweging in India. Hij werd in 1928 gevangengezet wegens opruiing, maar de brochure Indonesia Merdeka, die hij in de cel schreef, bereikte een groot publiek in Indonesië en daarbuiten.

Maar die vrijheidsideeën bereikten in Nederland dus geen groot publiek. Onbekendheid met de langdurige politieke strijd van Indonesische nationalisten voorafgaand aan 1945 zorgden voor blijvend onbegrip in Nederland. Een Nederlandse militaire arts op Java schreef dat het geringe politieke besef bij de Nederlandse militairen een oorzaak van de wreedheden tegen Indonesiërs was. Over Soekarno – in 1945 door Den Haag uitgesloten als onderhandelingspartner, omdat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog met de Japanners had samengewerkt – zeiden de militairen dat „hij een collaborateur als Mussert” was; „derhalve: weg ermee!” aldus de arts in een brief aan het zendingsconsulaat in Jakarta.

Toen de arts probeerde uit te leggen dat Soekarno en Sjahrir al eerder opgesloten waren geweest weigerden zijn landgenoten hem te geloven.

Staatsvijand Soekarno

Soekarno bleef ook later staatsvijand. In 1950 maakte hij een einde aan de Verenigde Staten van Indonesië, de rechtsgeldige opvolger van Nederlands-Indië en eiste ook Nieuw-Guinea op als onderdeel van de eenheidsstaat Republiek Indonesië. In 1956 interviewde de journalist Willem Oltmans Soekarno als eerste Nederlander, waarna de Nederlandse overheid Oltmans langdurig tegenwerkte.

Lees ook: Indonesische helden met bloed aan de handen

Indische veteranen die ik voor mijn promotieonderzoek sprak ontstaken bijna zeventig jaar later nog steeds in woede bij het horen van de naam ‘Soekarno’. Zij rekenen hem vooral aan dat hij de Bersiap niet in de hand had, de wrede moorden op duizenden (Indische) Nederlanders en aan Nederland loyale Indonesiërs en Chinezen door jonge Indonesiërs na het uitroepen van de onafhankelijkheid. Op Bali, waar ik voor mijn onderzoek zo’n honderd veteranen, nabestaanden en andere betrokkenen sprak, komt Soekarno juist naar voren als dé grote inspirator van de antikoloniale strijd. „Soekarno enthousiasmeerde me om in verzet te gaan”, zei een hoogbejaarde man. Men hoorde over hem via familieleden, vrienden, de radio. Voor de Balinees betekende vrijheid een eigen land besturen, „welvaart, gelijkheid, dezelfde rechten.”

Voor nieuwe generaties in Nederland is de historische strijd van Soekarno, Hatta, Sjahrir en vele anderen zo goed als onbekend gebleven. Vrijwel het enige wat in Nederland nog aan de eerste president van Indonesië herinnert is het witte ‘Soekarno-pak’ met zwarte topi dat de Indonesische gepensioneerde cementarbeider en activist Jeffry Pondaag regelmatig bij debatten draagt: naar eigen zeggen een politiek statement tegen de verguizing van Soekarno. Soekarno was geen oncontroversiële held en de Indonesische revolutie geen eenheid; het opsluiten van Sjahrir door Soekarno in 1962 is daar een tragisch voorbeeld van. Maar Soekarno hoort wel bij het Nederlandse debat.

Verbindende humanist

Dat zelfs Soetan Sjahrir is ‘vergeten’ in Nederland is misschien nog opmerkelijker: hij was de man die juist de verbinding met Nederland zocht, een humanist die samen met oud-premier Schermerhorn in 1946 het beroemde Akkoord van Linggadjati sloot, waarin Nederland het gezag van de Indonesische Republiek over Java, Madoera en Sumatra de facto erkende. Zijn dochter, Siti Rabyah Parvati, riep hem in 2009 voor de Indonesische ambassade in Den Haag in herinnering. „Het is mijn hoop dat de gedachten, waarden, moraliteit en levenswijze, als ook de strijd van Soetan Sjahrir een inspiratie zal zijn voor de jeugd en wereldleiders van vandaag, een licht dat schijnt op de zielen van onze mensen.”

Indonesische politieke leiders en hun strijd zijn onderdeel van de Indonesische geschiedenis, maar hun verhaal hoort ook onherroepelijk bij een meerstemmige blik op ons koloniale verleden. Volgend jaar is het 75 jaar geleden dat Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid uitriepen. Het zou Nederland sieren als koning Willem Alexander en koningin Máxima dan met een ruimhartige erkenning van 17 augustus 1945 de Indonesische vrijheidsstrijd recht doen. Daarmee zouden ze bovendien de weg helpen vrij te maken voor een inclusievere geschiedenis.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.