Recensie

Recensie Boeken

Deze doden hebben niks geleerd tijdens hun leven

Robert Seethaler Verschillende levensverhalen weet deze Oostenrijkse schrijver knap met elkaar te verbinden.

Illustratie Paul van der Steen

Robert Seethaler is een auteur met een scherp oog voor tragiek. De personages die hij schept zijn niet overdreven sympathiek, maar hij beziet ze met zoveel mededogen dat de lezer geraakt wordt. Dat overkwam mij, en velen met mij, in Een heel leven en De Weense sigarenboer, en het overkwam me opnieuw in de roman Het veld.

Het lijkt misschien vanzelfsprekend, die liefde van een auteur voor zijn personages, maar dat is het niet. Als een schrijver het goed aanpakt komen zijn personages echt tot leven, en dan kunnen ze net zo goed aanleiding tot irritatie geven als mensen van vlees en bloed. Robert Seethaler (1966) blijft geduldig, oordeelt niet, observeert alleen, en in de intensiteit van zijn waarneming openbaart zich zijn compassie.

Zijn boeken confronteren je met hoe moeilijk het leven is, ook voor jou, omdat jij wezenlijk in hetzelfde schuitje zit als de personages. Al lezend leg je je gebruikelijke onverschilligheid af en erken je je kwetsbaarheid, en de behoefte aan verbondenheid met lotgenoten. Je wordt – voor even – een gevoelig mens. Het besef van je eigen zwakheid is pijnlijk, maar toch adem je vrijer. Je legt je pretenties af. Je bent met minder tevreden. Philippe Claudel heeft hetzelfde louterende effect op zijn lezers, ook bij hem voel je dat mens-zijn betekent in een donker woud ronddolen, maar de Franse schrijver neigt in zijn zwakke momenten naar sentimentaliteit, en daar is bij Seethaler niet de minste kans op.

‘Het veld’ is de term waarmee de bewoners van het provinciaalse Paulstadt naar het plaatselijke kerkhof verwijzen. De roman begint en eindigt met een man die er dagelijks komt en ervan overtuigd is dat hij de doden hoort praten. In de tussenliggende hoofdstukken komt telkens een overledene aan het woord. Hun stemmen lijken ons niet vanuit een hemel of een hel maar vanuit een tamelijk neutraal hiernamaals te bereiken.

Schimmen

Net als de schimmen die Odysseus bij zijn bezoek aan de onderwereld tot spreken brengt, lijken de geesten op het kerkhof van Paulstadt geen sikkepit wijzer of onthechter dan tijdens hun leven. Zo is er de ongebroken trots van een voormalig burgemeester, een toonbeeld van corruptie: ‘Ja, ik heb de voortgang der dingen wat bespoedigd. De toekomst rammelde aan de poorten van onze stad – en ja, daar stond ik toevallig net en incasseerde de entree.’ Niet zijn omkoperij en stembusfraude betreurt deze man, maar wel dat het onder zijn verantwoordelijkheid ondeugdelijk gebouwde recreatiecentrum instortte, waarbij drie doden vielen. Vervolgens vertelt een van deze bedolven slachtoffers haar levensverhaal – dat je de noodlottige afloop ervan al kent, geeft er extra lading aan. Daarna doet de echtgenoot van dit slachtoffer zijn relaas; hij werpt verrassend nieuw licht op de woorden van zijn vrouw.

Seethaler laat de verschillende verhalen knap in elkaar grijpen – de voordelen van het wisselend perspectief ten volle uitbuitend – zodat ze samen als het ware het grotere verhaal van Paulstadt vormen. De situering in de tijd is tamelijk vaag, alles lijkt zich grofweg in de twintigste eeuw af te spelen, en het valt daarbij op dat de rol van de oorlog in de meeste overleveringen klein is.

Stervensuur

Sommige doden vertellen beknopt over hun leven, sommigen over hun stervensuur (een suïcide, een auto-ongeluk), een vrouw somt alle mannen op die ze gehad heeft, een gokverslaafde vertelt over zijn passie voor de Lucky Deal-automaat (‘ik denk dat het iets was als liefde’), anderen lichten een beslissend moment uit hun leven uit.

Teleurstelling overheerst. Teleurstelling over nooit gekregen of uit gebrek aan moed niet gegrepen kansen. ‘Nu lig ik hier [...] Het was geen lange weg.’ En eenzaamheid: ‘Ik geloof dat ik met die kater meer heb gepraat dan met de meeste mensen.’ Of zoals de corrupte burgemeester memoreert: ‘Ik herinner me al de handen die ik heb gedrukt en het luttele aantal handen die mij hebben vastgehouden.’

Aan de collagestructuur, die een kleine gemeenschap van ‘gewone burgers’ terugwint op de tijd, zit ook een nadeel: tijdens het lezen werd ik, zoals ik hierboven schreef, door sommige stemmen ontroerd, maar na een week merk ik dat er geen stem is blijven naklinken. Al die individuen – met kleine onderlinge verschillen in hun manier van spreken, maar altijd in de prettige, bondige, ongekunstelde stijl die Seethaler nu eenmaal eigen is – gaan uiteindelijk in elkaar op. Misschien is die ontbinding trouwens een effect dat Seethaler beoogde: ‘Eerst was ik mens, nu ben ik wereld.’