Rob van Bemmelen in de duinen bij Castricum. „De kleine jager steelt de vangst van andere vogels.”

Foto Roger Cremers

De bizarre spreiding van een dievensoort

Bioloog Rob van Bemmelen Broeden op de Zweedse toendra en vliegen tot Namibië, hoe doet een vogel dat? „Hoe die routes precies lopen, wist niemand.”

Even was hij afgelopen juni bang dat het voor niets was geweest: de 2.400 kilometer lange autorit naar Noord-Zweden (in één ruk door vanuit Nederland), de 45 minuten lange klim de berg op. Bioloog Rob van Bemmelen keek uit over de toendra van Ammarnäs en zag welgeteld één broedend paartje kleinste jagers.

En dat terwijl 2019 nog wel zo’n goed lemmingjaar was: voedsel genoeg dus voor de zeevogels, die tijdens het broedseizoen overschakelen van visvangst op een dieet van kleine knaagdieren. Maar waar de bergtop in 2011 en 2015 – eveneens rijke lemmingjaren – vol had gezeten met tientallen broedparen, was er nu dus alleen dit ene stelletje. „Dat was even slikken, ja”, vertelt hij aan de eettafel van zijn huis in Castricum. „Dit was mijn laatste veldwerkseizoen, en zonder vogels zou ik geen dataloggers terugkrijgen en dus ook geen informatie over hun trekroutes.”

Maar toen Van Bemmelen een eindje doorliep, stuitte hij alsnog op veel andere paartjes. „Dat was een grote opluchting: tóch geen dramajaar. Uiteindelijk hebben we van de 27 kleinste jagers met een loggertje om hun poot 15 exemplaren teruggevangen.”

Vier jaar eerder had hij aan de poten van die kleinste jagers – frêle, grijswitte zeevogels met een zwarte kop en een lange staart – een datalogger bevestigd. „Zo’n loggertje registreert dag- en nachtlengte en tijdstip van zonsopkomst en -ondergang. Aan de hand daarvan kun je de breedte- en de lengtegraad bepalen, en zodoende de locatie van de vogel.”

Die locatie is belangrijk, omdat de kleinste jager een van de „Arctische toendrabroedende vértrekkende zeevogels” is, zoals Van Bemmelen ze omschrijft. „Net als bijvoorbeeld de kleine jager, de grauwe franjepoot en de rosse franjepoot kunnen ze tienduizenden kilometers per jaar afleggen, van hun broedgebied in het noordpoolgebied naar het zuidelijk halfrond en weer terug. Maar hoe die routes precies lopen, wist niemand.”

Al in 2007 kwam Van Bemmelen voor het eerst in Ammarnäs. „In de daaropvolgende jaren ben ik in mijn vrije tijd teruggegaan en heb ik de jagers van kleurringen voorzien, zodat ik individuen kon herkennen. Maar dataloggers waren te duur: die kosten ruim honderd euro per stuk.” In 2011 gaf onderzoeksinstituut Imares hem 25 loggers in bruikleen. „Toen kon ik eindelijk beginnen met het onderzoek naar de trekroutes. In 2015 vingen we van die 25 loggers 18 terug.”

Wat is de route van de kleinste jager?

„In grote lijnen kun je zeggen dat ze via de Noord-Atlantische Oceaan naar het zuidwesten van Afrika vliegen. Veel vogels overwinteren voor de kust van Namibië en Zuid-Afrika. Sommige vogels gaan vanuit daar nog verder naar het zuiden, in het verleden zijn waarnemingen gedaan bij de Falklandeilanden. Tussen verschillende individuen zit een flinke routevariatie, het zijn solistische vliegers. Ook kunnen vogels van jaar tot jaar verschillen in hun route, maar die afwijkingen zijn vaak veel kleiner. Over het algemeen bleef een vogel binnen de 300 kilometer afstand van z’n route van het voorgaande jaar. Wat wel opviel, was dat de vogels in de winter – op de terugvlucht naar het noorden – soms sterk afweken van hun vaste route. Dat hangt waarschijnlijk samen met weersomstandigheden en het voedselaanbod. Het noordelijke, centrale deel van de Atlantische Oceaan is heel voedselrijk.”

Heb je nog andere langeafstandstrekkers bestudeerd?

„Ja, voor mijn promotie heb ik gekeken naar nog drie Arctische soorten: de kleine jager, de rosse franjepoot en de grauwe franjepoot. De kleine jager eet het hele jaar door vis en is een kleptoparasiet – hij steelt de vangst van andere vogels. Dus we dachten: die zal wel in de buurt van kustvogels overwinteren. Maar de kleine jager vertoont een bizarre spreiding, ontdekten we. Sommige individuen overwinteren bij Patagonië, sommige in het Caribisch gebied, sommige bij de Canarische Eilanden, en er zijn er ook die midden op de Atlantische Oceaan blijven. En dat terwijl ze allemaal uit hetzelfde broedgebied komen, uit Slettnes, bij de Noordkaap. Waarschijnlijk is er geen enkele vogelsoort die zo’n grote variatie in overwinteringsplek tussen individuen vertoont. Hoe dat komt weten we nog niet.”

En hoe zit het bij de franjepoten?

„De grauwe franjepoot vertoont een zogeheten migratiescheiding: de populatie die in Scandinavië en in Rusland broedt, vliegt zo’n 6.000 kilometer naar de Arabische Zee, via de Kaspische Zee en het Aralmeer. De populatie die aan de oostkust van Noord-Amerika broedt, vliegt zo’n 10.000 kilometer naar de Stille Oceaan via de Bay of Fundy. Die westelijke franjepoten hebben grotere vleugels en een hogere migratiesnelheid. Waarschijnlijk is die tweedeling zo ontstaan tijdens de laatste ijstijd, waarna de westelijke populatie haar broedgebied richting het oosten uitbreidde, en de oostelijke populatie juist richting het westen.”

Lees ook: Zie je een leeg nest? Kijk eens om je heen

Van Bemmelen speelt met een plastic potje naast hem op tafel. „Hier determineer ik nachtvlinders in. In de tuin hebben we een nachtvlinderval, die ze ’s nachts met fel licht lokt. Leuk om te kijken wat er allemaal vliegt in de omgeving.” Voor de televisie kijkt zijn 4-jarige dochter naar de pinguïntekenfilm Happy Feet. Naast haar ligt een gele kinderverrekijker. Op de piano staat de ruwe versie van Van Bemmelens proefschrift, met daarin onder andere de vogelfoto’s die zijn vrouw maakte toen ze hem in 2011 kwam opzoeken in het veld. „Ze wilde weleens zien waar ik al die zomers doorbracht…” Afgelopen voorjaar beviel ze van hun zoon. „Daarom ben ik dit jaar maar kort in Noord-Zweden geweest. Toen ik de dataloggers had, ben ik teruggereden.”

Is zo’n logger geen ballast tijdens een vlucht van 10.000 kilometer?

„Dat valt mee. Deze wegen nog geen gram, ze kunnen ze om hun poot dragen, als elektronische ring. Satelliettrackers zijn veel zwaarder – voor een beestje van 250 gram is 10 gram extra een heel gewicht – en dan moeten ze die als een soort rugzakje meedragen. Voordeel is wel dat je dan vanachter je computer de data kunt bekijken, en dus niet hoeft te wachten tot een vogel met een datalogger terugkeert naar z’n broedplek. De dataloggers kunnen ook een flinke foutmarge hebben, tot zo’n 100 kilometer, maar op een trektocht van 20.000 kilometer scheelt dat niet veel.”

Waarom zijn de langeafstandtrekroutes interessant?

„We wilden niet alleen routes achterhalen, maar ook kijken hoe variabel die waren – of er grote verschillen waren van individu tot individu, en van jaar tot jaar. Daarmee kun je voorspellen hoe makkelijk een soort zich aanpast, bijvoorbeeld bij klimaatverandering. Wat dat betreft lijkt de grauwe franjepoot een minder goede kans te maken dan de rosse franjepoot.”

Dan, kijkend op zijn telefoon: „Vier zwarte ooievaars in de buurt van Castricum gesignaleerd! Kom, snel, naar buiten, dan kunnen we ze door de telescoop zien.” Tegen zijn dochter: „Neem jij je gele verrekijker mee?” Ze schudt haar hoofd. Liever blijft ze naar het broedgedrag van de Antarctische tekenfilmpinguïns kijken.