Bijna stranden in Drenthe

Bootliften Wieke van Oordt lift per boot door Nederland. „Het wordt een harde nacht op de grond, no matter, junkies slapen overal.”

‘Liften per boot door Drenthe?”, vraagt de schipper van de pont in Zwartsluis. „Waarom zou je dat willen? De drie A’s komen uit Drenthe: armoede, alcoholisme en achterdocht.” Hij zet me af in de jachthaven. Ik stap de steiger op en begin mijn dagelijkse zoektocht. Ik lift per boot door Nederland. Alle provincies aandoen met elke boot die me wil meenemen. Zo’n twee weken eerder begon ik in Limburg, nu ben ik in Overijssel. Vijf provincies gehad, nog zeven te gaan.

Ik ben een steigerjunkie geworden en moet scoren. Hallo, mag ik wat vragen? Nee, dat is de andere kant uit. Fijne reis. Hallo, mag ik wat vragen? Naar het noorden? Top. Ik stap aan boord bij Willem en Tineke Hoorn. „We gaan toch even boodschappen doen in Meppel. Kunnen we net zo goed de boot nemen.” Ze brengen me in een gerestaureerde kerk- of notarisboot, honderd jaar geleden gebouwd in opdracht van een boer om hem en de boerin op zondag naar de kerk te varen. De knecht stond dan aan het roer, dat dwars op de boot staat zodat hij tijdens het varen keurig een andere kant uitkeek dan waar zijn bazen zaten.

Lees ook het eerste deel: Wat je ziet als je per boot lift door Nederland

In Meppel ga ik aan wal. „Je moet bij de Paradijssluis zijn. Alleen nog even de stad doorlopen.” Ik loop de stad door, de stad uit, het kanaal, streep door, de vaart langs, ik loop en loop. Wáár is die sluis? Kra, kra. In hoge bomen krassen kraaien boven mij. Ik zet even mijn tassen op de grond en inspecteer de rode striemen op mijn schouder. Wat lopen hier onvoorstelbaar veel rupsen, zeg. Ze slingeren in een lange rij voor mijn voeten. Ho stop. Ik kijk omhoog. Zijn dat eikenbomen? Ik pak mijn tassen weer op en slinger ze op mijn striemen. De kraaien lachen me uit terwijl ik haastig het centrum van Processierups City verlaat.

Log

Lift met een binnenvaartschip: 1. Stootwillen met mastworp vastgemaakt: 34. Slappe koffie aan boord: elke dag, what’s wrong with people!

De enige boot in de sluis neemt me mee de Drentse Hoofdvaart op, een kanaal dat de provincie van zuid naar noord doorkruist. Brigitte en Evert-Jan gaan met hun motorboot voor een familiefeest terug naar de regio waar zij geboren is. Bij de eerste brug vraagt de brugwachter waar we heen gaan. „Dieverbrug? Oké.” Het blijkt niet louter belangstelling in onze route, maar noodzaak om de groene golf in gang te zetten. Hij fietst mee tot de volgende brug om die ook te bedienen en belt met de volgende bruggen en sluizen om ons aan te kondigen.

Bij de Haveltesluis buigt de sluiswachter zich naar voren, terwijl wij vastleggen aan twee ringen in de muur en de deuren zich sluiten. „Ben jij er een van Dinkla?”, vraagt hij mijn gastvrouw. Dat blijkt ze te zijn, Dinkla was haar vader. „Hij was apotheekhoudend geneesheer en vroedmeester van het dorp”, vertelt Brigitte. „Huisarts dus. Vader had een keer een bevalling in een trekschuit, de moeder lag voor de brug van Diever, maar wilde niet dat haar kind in Diever werd geboren, dus trokken ze vlak voor de bevalling de schuit onder de brug door.” Straks is de vierde generatie Dinkla huisarts in de regio. „Mijn grootvader ging uit de Schermer naar Diever om er als arts te werken. Nu zijn twee van mijn broers huisarts, in Diever en Dwingeloo, en weer een zoon van een broer wordt er dit jaar huisarts. En wij wonen ondertussen weer in de Schermer, puur toeval vanwege Evert-Jans baan.”

Hun en dus ook mijn eindpunt is Dieverbrug. De pleziervaart heeft moeite zich staande te houden in Drenthe, het aantal doorvaarten neemt af. Er liggen wat bootjes langs het kanaal, die ik een voor een afga. „Of wij uitvaren? Misschien morgen, misschien volgende week.” En dan is het vijf uur, sluiten de sluizen en bruggen en zetten daarmee de hele vaart stil. Ik kijk naar het verkeer op de naastliggende weg. Stel je voor dat je die elke middag afsluit. „Vijf uur geweest, mevrouw, Assen kunt u vergeten vandaag.”

Nienke Zwerver, de enige vrouwelijke sluiswachter aan de Drentse Hoofdvaart, wijst naar het grasveldje naast de handgedraaide sluis. „Zet daar je tent maar op voor vannacht. Dan zien we morgen wel weer.” Het wordt een harde nacht op de grond, want ik heb mijn matje in een vorige provincie laten liggen. No matter, junkies slapen overal.

Log

Meters water gestegen in een dag: 6. Motorboters ouder dan ik: allemaal.

„Ik heb vannacht toch maar even gekeken of alles in orde was bij je tentje”, vertelt een schipper. „Het is openbaar terrein, hè.” Ik kijk achter me, waar mijn opgooislaapkamer staat. Verdraaid, dit is de eerste nacht dat ik niet met dat ding in een haven overnachtte. Ik drink koffie bij Nienke. „Het is nog vroeg in het seizoen. Er is niks meer vertrokken”, zegt ze. Ze heeft het geïnformeerd bij haar collega’s. „Sorry.” Grote kans dat er vandaag dus geen boten door de vaart naar het noorden trekken. Had ik dit wel willen weten? Nu is er vandaag geen hoop meer. Strand ik in Drenthe? Ik help met het draaien van de sluis voor een boot die alleen maar aan de andere kant wil liggen, loop een rondje en tel: zes motorboten, twee sloepen en een slepertje dat Wiepke heet.

Bij Nienke is Albert Vierhoven aangeschoven, tachtig jaar en oud-brug- en sluiswachter in Dieverbrug. „Ik begon hier bij deze brug op Sinterklaasdag in achtenzestig. Diezelfde middag zijn ze begonnen met het bouwen van een huisje voor mij.” Hij woont er nog. „Deze brug was de zwaarste ophaalbrug die met de hand bediend werd, 77 maal met de slinger rond en ook 77 maal voor naar beneden, met beide handen.” Albert moest al vroeg gaan werken. „Het was armoede thuis. Mijn vader was 32 jaar toen hij overleed nadat hij tijdens een kroegruzie met een beitel in de borst werd gestoken. Ik heb drie klassen lagere school gehad. Als brugwachter werkte ik in het begin 98 uur en zes dagen per week. Na klagen ging er een uurtje af.”

Toen hij sluiswachter was, draaide hij nog voor de beroepsvaart. „Ergens begin jaren zeventig belden ze, ‘er komt een jachtje aan.’ Ik zei ‘een jachtje? Wat is dat nou weer.’ Zoiets had ik nog nooit gezien. De laatste beroepsschipper kwam hier in 1972 doorheen, met een lading grind van Duitsland naar Appelscha.” Albert aait de hond, die naast hem zit.

„Hoe oud is je hond?”, vraag ik.

„Zestien jaar. Maar ik heb hem pas net.” Hij knikt naar de overkant van het water. „Er lag hier een schipper, dertig jaar lang. Hij is negentig geworden, vorig jaar vonden ze hem op een zondag dood op zijn schip. Een week daarvoor riep hij me bij hem en zei ‘als ik doodga, wil jij dan de hond nemen?’ Dus dat heb ik gedaan.”

We kijken allemaal naar de hond. „Maar hij kan niet los”, zegt Albert.

„Waarom niet?”

„Dan rent hij dertig kilometer lang de vaart af. Op zoek naar de baas.”

Log

Gescoorde boten vandaag: nul. Onrust om weg te komen versus Zin om te emigreren naar Dieverbrug en elke ochtend met Nienke en Albert koffie te drinken: 1-1.

Ik wandel mijn rondje. Langs de sluis, praatje met de brugwachter, aan de overkant weer terug. Hee, wacht even. „Waar is dat slepertje gebleven?”

Albert krabt op zijn hoofd. „Ik… ik heb er niet aan gedacht. De Wiepke is vertrokken.”

„Maar…” Dit was mijn kans om Drenthe uit te komen. „Wacht maar.” Nienke staat op. „Ging hij een half uur geleden? Dan is hij de Veenesluis nog niet door.” Ze pakt haar telefoon. „Ga jij vast met Albert mee. Hij brengt je.”

Ik pak haastig mijn spullen bij elkaar. Misschien kom ik hier niet meer terug. Is dit dan het afscheid? Als lifter kun je van de ene op de andere minuut weg zijn. Boot. Instappen. Gaan.

We rijden naar het volgende sluisje. „Hij is er nog!”, roep ik. De schipper kijkt op. „Hee Albert. Wat? Tuurlijk mag ze mee. O, nu snap ik waarom de sluiswachter treuzelde.” Nienke heeft haar collega gebeld en gezorgd dat hij mijn boot tegenhield. Wat vanochtend mijn nadeel leek, weten dat ik hier niet weg kon komen, is nu mijn voordeel geworden. Eén telefoontje en de groene golf is een rood sluisstoplicht geworden. We zwaaien Albert uit, tot we hem niet meer kunnen zien.

„Dit was Alberts oude sleper”, vertelt Johannes Zwerwer, de schipper. „Ik was op weg terug van de schippersdagen in Vianen en wilde hem als verrassing de Wiepke laten zien. Dus bij de eerste brug heb ik meteen gezegd, niet bellen! Niet bellen! Want dan weet gelijk iedereen langs de hele vaart dat ik eraan kom.” „Hebben ze het stilgehouden? Is de verrassing gelukt?”

„Ja. Hij stond met zijn dochter en tranen aan de kant.” Te-bak, te-bak, te-bak. Met een tweecilinder Brons-motor varen we noordwaarts. De A van Drenthe is van Albert.