Recensie

Recensie

Waarom maakte deze mythische groep maar één geslaagd studio-album?

CSNY Fan van het eerste uur Sjoerd de Jong las twee biografieën van het illustere gezelschap Crosby, Stills, Nash & Young en verbaasde zich erover dat de band ondanks zijn mythische status maar één geslaagd studio-album heeft gemaakt.

"Uit beide boeken komt een dysfunctionele band naar voren die kon vonken en vlammen, maar die gedoemd was uit elkaar te vallen door egotripperij."
"Uit beide boeken komt een dysfunctionele band naar voren die kon vonken en vlammen, maar die gedoemd was uit elkaar te vallen door egotripperij." Foto: Getty

‘Supergroep’, het klinkt inmiddels als een onderdeel van een energiecentrale, maar ooit was het de devote aanduiding voor een collectief van muzikale halfgoden. Dé supergroep van de late jaren zestig en de vroege jaren zeventig was Crosby, Stills, Nash en Young (CSNY), een formatie die wel werd aangeprezen als het Amerikaanse antwoord op The Beatles.

Het viertal, twee Amerikanen, een Brit en een Canadees, bracht verbluffende, meerstemmige ballades en trage maar snijdende rock die werd vereenzelvigd met het late hippiedom. Hun album Déjà Vu (1970) werd een generatie-klassieker, evenals de single ‘Ohio’, Youngs aanklacht tegen het doodschieten van vier studenten in Ohio bij een vredesdemonstratie.

Ondanks dat politieke engagement markeerde de band eerder de overgang van de revolutionaire jaren zestig naar een meer introspectief en therapeutisch decennium. Geheel in lijn met het ik-tijdperk dat toen aanbrak, bestond het supercollectief ook superkort. Door uiteenlopende belangen, overmatige cocaïne-consumptie en onderlinge rivaliteit viel de boel al na dat ene succesvolle album en twee tournees uit elkaar. In de decennia daarna volgden matige reünies en fantasieën over nieuwe heldendaden, vooral van Nash, de minst getalenteerde van het viertal die zich ontpopte als de praatzieke akela van de groep.

Graham Nash, de cheerleader van de band CSNY heeft zijn memoires geschreven. In een cycloon van seks, cocaïne en egobotsingen hield hij de boel bij elkaar. Lees ook: ‘Muziek heeft mijn leven gered’

Al die tijd bleef CSNY voor liefhebbers van het eerste uur een begrip. Daarvan getuigen twee biografische boeken van de Britse muziekjournalist Peter Doggett en van de Amerikaan David Browne, redacteur van Rolling Stone. In beide wordt de opkomst, ondergang en halve opstanding van de groep nauwgezet beschreven, zij het met een sterk accentverschil.

Egotripperij

Doggett concentreert zich op de hoogtijdagen, van de kennismaking van Stephen Stills en David Crosby met Graham Nash in 1968 (en hun puntgave debuutalbum als trio) tot en met de eerste, beruchte reünie in 1974. De vijftig jaar daarna, waar Browne zich braaf doorheen ploegt, vat Doggett samen in een kort nawoord.

Dat laatste lijkt halfbakken, maar het is te verdedigen. CSNY beleefde de grootste triomfen toen de groep de tijdgeest bij de lurven leek te hebben. De moeizame herenigingen daarna, mede geboren uit geldnood van een of meer leden (behalve van de succesvolle Young), lezen als een langgerekte parodie op rockbesognes. Over de solocarrières van de vier bestaan bovendien al andere, goede monografieën.

Browne’s boek heeft wel de verdienste dat hij gesprekken voerde met tientallen betrokkenen en zich niet, zoals Doggett, louter baseerde op archieven en oude interviews. Ook Crosby en – uiteraard – Nash stonden hem te woord, Stills en Young doken. Veel verschil maakt het overigens niet. Uit beide boeken komt een dysfunctionele band naar voren die kon vonken en vlammen, maar die gedoemd was uit elkaar te vallen door egotripperij.

Duister genie

Daarbij krijgt Neil Young in beide boeken de grootste zwartepiet toegespeeld, naast het drugsgebruik. Young, een duister genie, werd erbij gehaald om het messcherpe maar ook etherische geluid van de drie anderen een ruig randje te geven.

Neil Young gebruikte de groep vooral als springplank voor zijn solo-carrière.

Dat lukte soms glorieus (Youngs gitaarduels met Stills zijn het hoogtepunt van het ondergewaardeerde live album 4 Way Street), maar de prijs was hoog. Young gebruikte de groep vooral als springplank voor zijn solo-carrière. Hij bleef bezig met eigen projecten, toerde met zijn eigen band Crazy Horse en liep de kantjes ervan af bij het maken van Déjà Vu. Zijn duistere charisma en onvoorspelbaarheid leidden tot nervositeit in de groep en tot een machtsstrijd met Stills, die tot uitbarsting kwam ten koste van ten minste één onfortuinlijke bassist en een drummer.

Dat valt allemaal gedetailleerd na te lezen bij Doggett. Wie dan nog zin heeft in de lange jaren daarna, kan goed terecht bij Browne, die geduldig het gekissebis uitpluist. Crosby, Stills en Nash bleven als duo of trio optreden en platen maken. Maar de sleutel voor succes lag toch bij Young, die de andere drie al overvleugelde bij hun eerste, lucratieve reünie-tournee in 1974.

Coke-verslaving

Lange tijd had de eigenzinnige Canadees geen behoefte aan nieuwe samenwerking. In songteksten deed hij zijn oude makkers af als verstokte hippies die hun tijd uitzaten, terwijl hij punkmuziek omarmde. Ook de coke-verslaving van Crosby stond nieuwe projecten jarenlang in de weg.

Uiteindelijk kwam er in 1988 een nieuw album, toen ook Young de publiciteit goed kon gebruiken. Het resultaat was slap en ongeïnspireerd, evenals een volgende poging in de jaren negentig. Spraakmakend werden weer wel de reünie-tournees die het kwartet vanaf 2000 ondernam. Ook daarin bleek de almacht van Young, die erop stond dat de tournee van 2006 in het teken kwam te staan van zijn protestalbum tegen de oorlog in het Irak. Zo ontstond er weer iets van urgentie rond het viertal.

Een zoveelste poging om hen weer samen te brengen liep stuk op lachwekkend puberale ruzietjes.

Daarna was het alweer voorbij, al bleef Nash onvermoeibaar doorpraten hoe goed ze wel niet konden zijn, als ze maar… enzovoorts. Solowerk bleven ze maken, Crosby beleefde zelfs een miraculeuze muzikale wederopstanding (en ontpopte zich als een begaafde twitteraar). Een zoveelste poging om hen weer samen te brengen liep stuk op lachwekkend puberale ruzietjes. Crosby (nu 77) brak met Nash (77), nadat de babbelende Brit in zijn memoires iets te openhartig was geweest over het chemische en seksuele doorzettingsvermogen van zijn boezemvriend. Young (73) brak op zijn beurt met Crosby, toen die in een interview zijn nieuwe vriendin ‘een giftig roofdier’ had genoemd. Ook dat talent voor ruzie waren de heren dus niet verleerd.

Mythische status

Het grote raadsel van CSNY blijft dan ook de mythische status van een band die als kwartet maar kort heeft bestaan en die maar één geslaagd studio-album heeft gemaakt. Het heeft ongetwijfeld te maken met het tableau van vier sterk verschillende karakters: de gelukzalige stonede Crosby, de harde werker Stills, de boskabouter Nash en de intense Young. Maar de crux moet zijn dat de vier ‘weerspiegelden wat er aan de hand was met ons’ (Browne) oftewel dat hun ‘levensbeamende muziek’ onlosmakelijk verbonden is gebleven met ‘het tijdperk van de babyboomers’ (Doggett). Het instabiele kwartet maakte muziek die haarfijn aansloot bij een generatie op het breukvlak van de jaren zestig en zeventig: kritisch én verwend, zomers opgewekt en toch al weemoedig.