Melk van de koe én van groene plantjes

Melkvee- en sojaboer Twee Twentse broers nemen de melkveehouderij van hun ouders over. Maar koeien volstaan niet. Ze willen ook boontjes die rammelen in hun peulen.

De broers Grobben, Bart (links) en Tom (rechts), melkveehouders in Enschede – én sojaboer. „We geven dit project een jaar om te slagen. Als het niet lukt, hebben we er wel alles aan gedaan.”
De broers Grobben, Bart (links) en Tom (rechts), melkveehouders in Enschede – én sojaboer. „We geven dit project een jaar om te slagen. Als het niet lukt, hebben we er wel alles aan gedaan.” Foto Niels Blekemolen

Wil je geen cappuccino?”, vraagt Annet Grobben voor de tweede keer. Op de tuintafel staat Twentse krentenwegge met roomboter. O ja, we moeten natuurlijk de sojamelk van Tom en Bart proeven. Die blijkt wat minder zoet dan de sojamelk uit de supermarkt. Ze experimenteren er nog mee. „Willen mensen een beetje zoet of juist puur? Uiteindelijk moeten we keuzes maken”, zegt Tom.

Eén belangrijke keuze hebben ze al gemaakt. Ze hebben allebei hun baan opgezegd om niet alleen het bedrijf van hun ouders over te nemen, maar ook hun eigen project van de grond te krijgen. De Nieuwe Melkboer. Daarover straks meer.

Tom (27) en Bart (30) zitten aan de tuintafel met hun ouders Annet (59) en Wim (62). Zonder dat ze het zelf zo benoemen, vertellen ze het verhaal van de naoorlogse landbouw. De ouders van Annet en Wim hadden gemengde bedrijven, zoals dat vroeger ging: melkkoeien, wat varkens, wat akkerbouw. De stad rukte op: begin jaren zeventig moest de boerderij van Annets ouders plaatsmaken voor de nieuwbouwwijk Stroinkslanden in Enschede. Waar de boerderij van Wims ouders stond, is nu de wijk Wesselerbrink.

De ouders van Wim lieten vlak onder Enschede in 1971 als een van de eerste Nederlandse melkveehouders een moderne ligboxenstal met melkput bouwen. Hoeveel koeien je daarmee wel niet kon melken op een dag. Waar een boer vroeger de hele kringloop in huis had, was de landbouw na de oorlog steeds meer gericht op specialisatie en efficiëntie, hoge productie tegen de laagste kostprijs. Genoeg voedsel voor iedereen, een goed inkomen voor boeren.

Annet en Wim werden boer in 1981, toen intensieve landbouw de norm was. Wie daar niet in meeging, zo voelden ze, was geen ondernemer. Annet en Wim wilden niet mee. Toen ze begonnen waren ze met 75 koeien al groot – een gemiddeld bedrijf telde er toen 35. Doorgroeien was nooit hun ambitie. Het aantal dieren moest in balans blijven met de grond en de natuur. En ze wilden ook gewoon elke zomer twee weken met de jongens op vakantie kunnen. „Extensief boeren was altijd het doel”, zegt Wim.

Annet zegt: „Jij was ook best gefrustreerd toen het melkquotum eraf ging.” In 2015 was dat. Overal kwamen nieuwe stallen, voor nog meer koeien, nog meer melk. „Ik dacht meteen al: waar moeten ze met die mest naartoe?”, zegt Wim. „Ze hadden het quotum nooit los moeten laten.”

Vijf jaar eerder hadden ze zelf de kans gehad om uit te breiden. De boerderij moest wijken voor de N18 en op de nieuwe locatie was ruimte voor een grotere stal. Tom en Bart herinneren zich de gesprekken nog. En dat ze er toen samen bewust voor kozen om de verplaatsing niet aan te grijpen voor een uitbreiding. Annet: „Als je groeit wordt de financieringslast ook hoger. Die last zouden de jongens dan ook moeten overnemen.”

In de nieuwe stal, gebouwd met de houten spanten van de oude Enschedese kunstijsbaan, worden nog steeds zeventig koeien gemolken. De 60 hectare grond die ze hebben, is voor dat aantal koeien eigenlijk te ruim, zegt Wim. „Hoezo te ruim?”, reageert Bart. „Dat is ook maar perceptie.”

Je zou kunnen zeggen dat de familie Grobben nogal anti-cyclisch geboerd heeft. Maar nu het landbouwbeleid gericht is op minder druk op de leefomgeving, minder kunstmest, minder import van veevoer, kun je ook zeggen: ze hebben gelijk gekregen.

Foto Niels Blekemolen

Nieuwe melk

Bart en Tom laten de stal zien. Schoon, ruim, aangeveegd. „Wij houden van een strakke stal”, zegt Tom. Een koe kuiert op haar dooie gemak de melkrobot in. Hier komt de melk vandaan.

Dan door naar de akker aan de andere kant van de lange oprit. Op een strook van één hectare groeien kleine groene plantjes, amper 20 centimeter hoog. Nedersoja, van zaad dat het op Twentse zandgrond goed doet. Hier komt de nieuwe melk vandaan.

De merknaam, De Nieuwe Melkboer, valt op zijn plaats. Het verhaal erachter ligt hier op het erf: de balans tussen plantaardige en dierlijke eiwitten moet worden hersteld, minder dierlijke eiwitten (melk, vlees, eieren) om meer grond voor plantaardige eiwitten te kunnen gebruiken. Soja- en koemelk kunnen naast elkaar bestaan, willen Bart en Tom laten zien. Letterlijk zelfs, als de grond er geschikt voor is.

Als de planten volgroeid zijn, in augustus, september, drogen ze uit. En als de boontjes rammelen in hun peulen, worden ze geoogst. De sojabonen worden geweld, aangelengd met water, gemalen, gekookt en gefilterd. Dat is het versimpelde recept voor sojadrank. In de praktijk hebben alle details invloed op de smaak: van het soja-ras tot de mate van verhitting.

Tot nu toe maken de broers hun nieuwe melk op keukenschaal. Maar nu het menens wordt, is de vraag: hoe zet je een productielijn op, waar vind je een machine groter dan een sapcentrifuge en kleiner dan die in de fabriek van Alpro? „De Europese machines zijn te groot en de machines uit Azië geven een andere smaak. Wat we nodig hebben, is iemand met verstand van procestechnologie.”

Dit is niet zomaar een baan. Als je niet door kunt, of besluit om te stoppen, is dat emotioneel

Voordat Bart en Tom in 2017 op minder dan een voetbalveldje hun eerste soja zaaiden, hadden ze al driehonderd andere ideeën besproken. Vakantiehuisjes. Vergaderlocatie. Racen met elektrische mountainbikes. Een voedselbos. „Als we alle plannen hadden opgeschreven, hadden we nu een boek”, zegt Tom.

Lang was het zelfs geen uitgemaakte zaak dat ze in het bedrijf zouden komen. Ze vlogen als student uit naar Amsterdam en Utrecht, kregen daar relaties, een sociaal leven. Beiden deden, na hun bachelor in de Randstad, een master ‘management economics and consumer studies’ in Wageningen, Tom ging de consumentenkant op, Bart richting management. Ze kregen banen.

Maar in Wageningen groeide langzaam al de interesse in het bedrijf. Thuis, bij pap en mam aan de keukentafel, waren er altijd gesprekken: wat zullen we doen, hoe zullen we het doen?

Bart besloot twee jaar geleden om terug te verhuizen naar Enschede. „Ik wilde de binding niet kwijtraken.” Een bedrijfscoach gaf hun het duwtje in de rug dat ze nodig hadden om hun baan op te zeggen en hun sojaplan vaart te geven. ’s Ochtends meedraaien in het bestaande bedrijf, ’s middags tijd voor De Nieuwe Melkboer. Tachtig uur in de week, als het moet. En dat moet nu even. Bart: „We geven dit project een jaar om te slagen. Als het dan niet is gelukt, hebben we er in elk geval alles aan gedaan.”

Het doel is om allebei minimaal een modaal inkomen uit het bedrijf te kunnen halen. De melkveehouderij is daarvoor de basis, want de soja-oogst kan ook mislukken. Vorig jaar vraten de duiven het hele veld kaal. „Dit is niet het soort start-up waar je even snel rijk van wordt”, zegt Bart.

Bij elke stap die ze tot nu toe zetten, hielden ze de uitgang in zicht. „We hebben afgesproken dat we altijd de mogelijkheid houden om eruit te stappen”, zegt Bart. „Ik krijg het al benauwd bij de gedachte dat dat niet zou kunnen.” „Maar ik ga het niet alleen doen”, zegt Tom. „ Ik denk dat ik in mijn eentje ongelukkig word.”

Twee jonge boeren. Met één been in het oosten en het andere bij hun geliefde in het westen. Vrouwen die dáár hun werk en hun leven hebben. Gaat dat werken, een boer met een lat-relatie? Ja, natuurlijk is dat een dingetje, dat ontkennen ze niet. „We tasten het rustig af”, zegt Tom. „KWW, zeggen ze in Twente. Kiek’n wat wordt.”

De Nieuwe Melkboer vraagt om voortvarendheid. De overname van het melkveebedrijf gaat geleidelijker – pas over ongeveer twee jaar is het zover. „Nu zijn wij er nog vooral om onze ouders te ondersteunen. We zullen de taken wel wat duidelijker gaan verdelen, maar we hebben ook gezegd: we gaan pap en mam niet veranderen in hun routines.”

Misschien pas sinds een jaar of drie realiseren ze zich ten volste hoe bijzonder het is om dit bedrijf te kunnen overnemen, zegt Bart, terwijl we uitkijken over het door bomen omrande grasland, de moderne stal met zonnepanelen, het grote nieuwe woonhuis. Zo’n erfenis kan ook drukken. „Een klein foutje kan het werk van generaties verpesten. Het is niet zomaar een baan”, zegt Bart. „Als je niet door kunt, of zelf besluit om te stoppen, is dat heel emotioneel.”

Ook bij Grobben zijn er heus minder goede tijden geweest. Ze hebben een poos met dierziektes gekampt, waar moeilijk grip op te krijgen was. Dat soort crises ontgaat boerenkinderen niet. Elke nieuwe generatie boeren is belast met het besef dat het fout kan gaan.

Die verantwoordelijkheid tussen generaties werkt twee kanten op. Al doen Annet en Wim daar niet zwaarwichtig over, ze doen er alles aan om hun bedrijf goed achter te laten voor hun zonen. De melk voldoet aan alle voorwaarden voor het keurmerk Planet Proof. Het bijhouden van de regelgeving, de administratie – het kost veel tijd, en veel meer tijd dan vroeger, maar je moet er bovenop blijven zitten tot je pensioen.

Knuffelboer

Aan de lunchtafel wordt nog even gepraat over de ‘bubbels’ van de stad en het platteland, die Tom en Bart van binnenuit kennen. En over de ‘kloof’ tussen boer en consument. Het negatieve sentiment rond de veehouderij – dierenleed, megastallen, mestfraude – raakt boeren die generatie op generatie, dag in dag uit met hun bedrijf bezig zijn. „Tien jaar geleden liep ik er niet mee te koop dat ik een boerenzoon ben. De laatste paar jaren lijkt er weer wat meer waardering te zijn”, zegt Tom. Al is zijn blik misschien gekleurd door de waardering die ze zelf krijgen.

Twee frisse jongens met een duurzaam initiatiefje – dan ben je al snel een knuffelboer. En dat voelt ongemakkelijk. Tom: „Wij worden nog wel leuk gevonden, maar voor de gewone gangbare boer is weinig sympathie. En de discussie wordt steeds harder.” ‘Ditch milk’, dump melk, stond onlangs op grote reclameborden – een campagne van het havermelkmerk Oatly. „Waarom zou je je zo afzetten tegen koemelk?” zegt Bart. „We kunnen niet allemaal sojamelkboer worden.”

Foto Niels Blekemolen