Raming CPB: koopkracht stijgt voor alle huishoudens

Volgens ramingen van het CPB neemt de koopkracht dit en volgend jaar voor alle inkomensgroepen toe. De economische groei vlakt af en de werkloosheid lijkt de bodem bereikt te hebben.

Winkelend publiek in de Koopgoot in Rotterdam.
Winkelend publiek in de Koopgoot in Rotterdam. Foto Koen van Weel / ANP

Terwijl de groei van de Nederlandse economie volgend jaar afzwakt, blijft de werkloosheid laag en neemt de koopkracht voor alle groepen toe. Dat zijn de belangrijkste bevindingen van de augustusraming van het Centraal Planbureau (CPB) in de jaarlijkse concept-Macro Economische Verkenning, deze donderdagochtend verschenen. De zogeheten cMEV vormt de laatste bouwsteen voor het begrotingsoverleg door het kabinet richting Prinsjesdag. Volgende week last het kabinet hier een serie extra vergaderingen voor in.

Volgens de ramingen van het CPB stijgt de koopkracht zowel dit jaar als komend jaar voor alle (inkomens)groepen en zijn de verschillen hierbij tussen de hoge en lage inkomensgroepen even groot als in de augustusraming van vorig jaar. Gepensioneerden blijven met een mediane koopkrachtstijging van 0,6 procent relatief achter op mensen met een baan (1,4 procent stijging).

In de afgelopen jaren trok het kabinet op basis van de augustusrapportage van het CPB honderden miljoenen uit om bijvoorbeeld gepensioneerden en minima (meer) koopkrachtverbetering te geven. In die jaren waren er vaak meerdere groepen die zonder aanvullend beleid achterbleven bij andere groepen of zelfs aan koopkracht dreigden te verliezen.

Gevolg van loonstijgingen en beleid

Volgens het CPB komt het algehele positieve koopkrachtbeeld vooral voort uit de loonstijgingen, „en in iets mindere mate” door specifiek kabinetsbeleid. De mediane koopkracht voor alle huishoudens neemt volgens de CPB-raming zowel dit jaar als in 2020 met 1,2 procent toe. Mediaan wil zeggen: de middelste waarde, de helft van de huishoudens zal er minder op vooruit gaan, de andere helft méér. De koopkrachtplaatjes voor specifieke groepen schommelen rond dit percentage: van 0,6 procent voor de laagste inkomstensgroepen volgend jaar tot 1,7 procent voor gezinnen met kinderen.

‘Vaart gaat eruit’

Waar het CBS woensdag al rapporteerde dat de Nederlandse economie blijft groeien, maar in tempo wat is teruggevallen (0,5 procent in het tweede kwartaal van 2019), voorspelt ook het Centraal Planbureau dat de economische groei volgend jaar in Nederland afremt: 1,4 procent waar in maart nog een groei van 1,5 procent werd verwacht. „Het omslagpunt van de conjunctuur ligt achter ons”, zegt CPB-directeur Laura van Geest in het begeleidende persbericht. „De vaart gaat eruit.”

Lees ook: Nederlandse economie groeit, maar hoelang nog?

De „niet-geringe neerwaartse risico’s” voor de Nederlandse economie komen vooral uit het buitenland en zijn volgens het planbureau toegenomen: „Het Amerikaanse handelsbeleid plus de reacties daarop, de toegenomen kans op een chaotische Brexit en de politieke ontwikkelingen in Italië zijn belangrijke bedreigingen voor de Nederlandse economie.”

Omslagpunt werkloosheid

Ook voor de lage werkloosheid is het omslagpunt nabij. Dit jaar wordt volgens het CPB het laagste punt bereikt met 3,4 procent. Volgend jaar neemt het werkloosheidspercentage weer licht toe tot 3,6 procent. Van Geest: „De werkloosheid blijft laag, maar de werkgelegenheidsgroei vlakt flink af, zeker in de marktsector.”

Het begrotingssaldo van de overheidsfinanciën blijft positief maar wordt eveneens kleiner: 1,2 procent van het bruto binnenlands product, 0,5 procent in 2020. Dat betekent concreet dat minister Hoekstra (Financiën, CDA) voor de Miljoenennota voor volgend jaar nog maar een buffer heeft van 4,2 miljard euro. Vorig jaar was dat nog 10,8 miljard.

In de lange cijferlijst van het CPB staat één opvallend negatief getal. Het structurele begrotingssaldo – het saldo gecorrigeerd voor conjuncturele ontwikkelingen valt volgend jaar net onder het nulpunt, naar -0,1 procent.

Correctie (15 augustus 2019): in een eerdere versie van dit artikel werd een onjuist werkloosheidspercentage vermeld. Dat is hierboven gecorrigeerd. Ook stond er dat de verschillen tussen groepen klein waren, en compensatie waarschijnlijk niet nodig zou zijn. Ook dat is aangepast.