Opinie

Nederland op zoek naar de goede kant van de geschiedenis

Einde van Indië

Commentaar

Amsterdam heeft voor straatnamen op IJburg gekozen voor anti-koloniale helden. Correspondent Nina Jurna schreef in NRC over haar Surinaamse oudoom Louis Doedel, die deze eer te beurt is gevallen. En het valt toe te juichen dat de stad van de Gouden Eeuw ervoor heeft gekozen via haar plattegrond te tonen dat de Nederlandse geschiedenis niet alleen geschreven is door mannen met een leidinggevende positie in de VOC.

Een van de post-koloniale helden die ook een straat krijgt, is bijvoorbeeld ook Maria Ulfiah, strijder voor vrouwenrechten en in 1946 eerste vrouwelijke minister in het Indonesische kabinet. Een andere naam is Tan Malaka, een communistische leider, die overigens in 1949 door medestanders van de republikeinse regering van Soekarno werd gedood.

In het tijdschrift Historia.id stelde de Indonesische historicus Bonnie Triyana de vraag hoe het toch komt dat Soekarno zelf, die samen met Hatta gezien wordt als de stichter van de Republiek Indonesië, geen straatnaam gekregen heeft.

Goede vraag. Zeker ook nu vandaag voor de 74ste keer wordt stilgestaan bij de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945. Daarmee kwam de Tweede Wereldoorlog pas echt ten einde. En twee dagen later op 17 augustus riepen Soekarno en Hatta de Indonesische vrijheid uit. Veel mensen die deze donderdag stilstaan bij het eind van de Tweede Wereldoorlog zien Soekarno echter niet als een held. Eerder beschouwen zij hem als ‘loopjongen’ van de door hen gehate Japanners.

Herdenken van tragische gebeurtenissen uit de nationale geschiedenis betekent ook een poging doen om met die geschiedenis in het reine te komen. Om verder te kunnen. Aan Nederlandse zijde zijn tijdens de Indonesië-oorlog vele kinderen, vrouwen en mannen gedood door pemuda’s, jonge strijders. Vaak met onvoorstelbare wreedheid. Erkenning van dat leed en ook het leed dat is aangedaan door Japanse militairen tijdens de bezetting van Nederlands-Indië dat is wat centraal staat op 15 augustus.

Maar wel in de wetenschap dat de complexiteit van de gebeurtenissen in het verleden latere generaties noopt om verder te kijken. Dus ook oog te hebben voor het gegeven dat de Indonesische bevolking evenzeer heeft geleden onder het barbaarse Japanse bewind. En zich rekenschap te geven van het feit dat de oorlog die de Nederlandse staat ontketende na de uitroeping van de republiek Indonesië, ook barbaars was. Terecht heeft toenmalig minister Ben Bot (Buitenlandse Zaken, CDA) in 2005 toegegeven dat Nederland in die oorlog „aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond”. Niettemin duurde het nog tot 2012 voordat een Nederlandse ambassadeur, in het licht van de rechterlijk uitspraak over de zaak-Rawagede, een spijtbetuiging overbracht aan Jakarta.

Indonesische historici beginnen ook te kijken naar wat er gebeurd is tijdens de zogeheten bersiap-periode. De erkenning dat er vuile handen zijn gemaakt tijdens de ‘glorieuze strijd’ voor onafhankelijkheid past niet goed in de nationalistische stichtingsmythe, die met name sinds oud-president Soeharto in zwang is geraakt.

Zelfonderzoek kan helend zijn voor beide landen en voor de wederzijdse betrekkingen. Behulpzaam zou zijn als Nederland eindelijk 17 augustus erkent als stichtingsdatum van Indonesië. Uiteindelijk was niet alleen die finale koloniale oorlog fout. Nederland stond al aan de verkeerde kant van de geschiedenis, om met Bot te spreken, op het moment dat de VOC begon met de exploitatie van de archipel.