Foto Roger Cremers

Een zuidvleugel en een chambre-horse

Kasteel Al sinds 1226 woont de familielijn Van Wassenaer op kasteel Duivenvoorde in Voorschoten. Aan die traditie komt een eind, nu de huidige bewoners vertrekken.

Kun je afscheid nemen van een kasteel dat al bijna achthonderd jaar wordt bewoond door jouw familie? Waar overal portretten van je voorvaderen hangen, de kasten volstaan met servies dat in de loop der eeuwen is verzameld en de vertrekken vrijwel allemaal nog intact zijn, zelfs de slaapkamer waar je als kind sliep in het hemelbed met het baldakijn, het leek wel een tent vond je toen, ziet er nog net zo uit als een paar honderd jaar geleden.

Ludolphine Schimmelpenninck van der Oye (75) en haar man, Roland van Haersma Buma (74), bewonen Kasteel Duivenvoorde in Voorschoten. Wanneer je er aanbelt, ben je gekomen via een bomenlaan die zo lang is dat het echtpaar tegenwoordig een digitaal krantenabonnement heeft: veel makkelijker dan elke dag een halve kilometer naar de postbus. Je belt ook niet langer aan bij de hoofdingang op het voorplein, met zijn zandstenen poort uit de zeventiende eeuw, erboven nog het oude familiewapen, maar bij een kleine deur links. ‘Van Haersma Buma’ staat simpelweg op het naambordje bij de bel.

„Ik snijd nu iets door wat al zo lang…”, zegt Ludolphine Schimmelpenninck van der Oye. „Mag ik dat wel doen, heb ik me afgevraagd… Eerst wil je er niet eens over nadenken, het moet eigenlijk wel maar je stelt het uit…” Voor haar woonden haar ouders op het kasteel, daar weer voor een oudere tante. In 1226 heette de eerste bewoner van Kasteel Duivenvoorde Philips van Wassenaer, sindsdien is de familielijn nooit onderbroken geweest. Wel werd het eigendom soms voortgezet via de vrouwelijke lijn, vandaar de verschillende familienamen: Van Wassenaer, Steengracht, Schimmelpenninck van der Oye.

Meestal zegt ze niet wie ze is

En nu staan de eerste verhuisdozen klaar in de keuken. Dat wil zeggen: in de keuken van de zuidvleugel. Want dat was al wel veranderd: het hele kasteel bewoont de familie al bijna zestig jaar niet meer. Dat is indertijd ondergebracht in een stichting, die het grondig restaureerde en, op die zuidvleugel na, als museum openstelde voor rondleidingen en verhuur.

Zelf geeft ze nu ook rondleidingen, meestal zegt ze niet wie ze is, maar soms komt het toch uit. Dan vertelt ze bijvoorbeeld dat wanneer ze als klein meisje op bezoek was bij haar tante, ze altijd meteen op de paardrijstoel in de bibliotheek klom, waarvan ze pas later hoorde dat het een chamber-horse was: een stoel met lange springveren, naar verluidt om oudere mannen die niet meer konden paardrijden toch nog die illusie te geven.

De paardrijstoel staat nog altijd in de bibliotheek, zoals alle vertrekken zijn ingericht alsof ze nog worden bewoond. Of beter gezegd: zoals ze niet zo lang geleden nog werden bewoond. Je ziet hoe ze als klein meisje vanuit het hemelbed zicht had op een zeventiende-eeuws portret van een van haar voorvaderen, speciaal gemaakt voor de eikenhouten schoorsteenbetimmering boven de open haard. Er is een goudleerkabinet, een dameszitkamer, een porseleinkamer, een blauwe logeerkamer, enzovoort, enzovoort.

Kasteel Duivenvoorde in Voorschoten Foto Roger Cremers

Dus dat is de aanleiding voor het vraaggesprek: is het niet heel erg moeilijk om na bijna achthonderd jaar het familiekasteel te verlaten, bijna onmogelijk misschien wel?

Ludolphine en Roland praten om beurten, soms vindt ze het eigenlijk te persoonlijk worden, of krijgt ze het even te kwaad, dan neemt hij het gesprek over. Ludolphine, over haar verantwoordelijkheid als nazaat: „Ik sta achter het besluit om weg te gaan, ik denk dat het een goed besluit is. Maar ik heb er lang over gedaan ja, zo’n beslissing neem je niet zomaar. En ik heb… Ja, ik heb me wel schuldig gevoeld.” Roland, aanvullend: „U moet zich natuurlijk wel realiseren: het huis is niet meer van de familie, het is van de stichting. Als je het heel blank bekijkt zijn wij gewoon huurders. Zo is het in de praktijk gelukkig niet, omdat we buitengewoon betrokken zijn. Maar we zijn niet meer de eigenaren.”

Moeder de barones

Roland bezocht het kasteel voor het eerst midden jaren zestig, op visite bij zijn aanstaande schoonouders die er waren gaan wonen na het overlijden van de tante. In die begintijd van de stichting voelde het alsof het kasteel nog altijd van de vroegere eigenaren was. Ludolphine: „De eerste jaren moest iedereen eraan wennen dat het een stichting was geworden. De pachtboeren brachten nog steeds hun liter melk langs.” Roland: „Mijn schoonouders hielden ook een kerstontvangst, net als vroeger. Dan schonken ze koffie en chocolademelk. Maar na een paar jaar zijn ze daarmee opgehouden.” Ludolphine: „Mijn moeder was de barones, zo werd ze ook aangesproken.”

In die tijd hadden ze niet gedacht dat ze ooit zelf op het kasteel zouden komen te wonen. Ludolphine is één van vier kinderen. Toen haar moeder vijftien jaar geleden overleed, hun eigen kinderen waren op dat moment al de deur uit, was het de vraag of één van die vier de zuidvleugel van het kasteel wilde betrekken.

De woonkamer van de zuidvleugel is in de winter eigenlijk onbewoonbaar

Niet iedereen wilde dat. Waarom zij wel?

Ludolphine: „Omdat… Het is een familiehuis… We kwamen hier vroeger ook veel met onze kinderen.” Roland: „Maar je had ook een diepere reden.” Ludolphine: „Ja… Om de traditie voort te zetten…” Roland: „Mijn vrouw is het petekind van die tante, moet u weten. Dus die emotie zit er ook bij. En in de laatste levensjaren van mijn schoonmoeder was ze hier bijna dagelijks om voor haar te zorgen. Er was het gevoel: als mijn tante en mijn moeder het gedaan hebben, waarom zou ik het dan niet ook doen.” Ludolphine: „Maar het was ook een besluit dat je samen neemt.” Roland: „Ja, we wilden het allebei.”

Het echtpaar Roland van Haersma Buma en Ludolphine Schimmelpenninck van der Oye in de zuidvleugel van het kasteel. Foto Roger Cremers

Want ja, er kleven ook nadelen aan het bewonen van een kasteel. Dankzij de stichting is het weliswaar kamer voor kamer gerestaureerd, maar renovatie of niet: als rijksmonument mogen een aantal zaken niet worden aangepast. Daardoor is de woonkamer van de zuidvleugel waar wij nu zitten in de winter eigenlijk onbewoonbaar. In de hoge, achttiende-eeuwse schuiframen zit enkel glas, de muren zijn eensteens. Ludolphine: „Het is gebouwd als zomerkasteel hè. Maar als je zegt dat je in een zomerhuis woont kijkt iedereen je aan van: waar heb je het over.” Roland: „Haar tante was de eerste die hier permanent ging wonen, voor die tijd hoefde het hier eigenlijk nooit echt gestookt.” Ander nadeel: in de zomer is het lastig om buiten op je eigen terras te zitten, dan zit je in het zicht van de museumbezoekers. Nog een nadeel: omdat het kasteel een geheel is, scheiden hier en daar alleen gebrandschilderde ramen de zuidvleugel van de rest van het huis. Vooral bij de verhuur voor feesten geeft dat geluidsoverlast. Roland: „Maar laten we eerlijk zijn: we zijn het gewend, we weten niet beter.” Ludolphine: „Ik zeg altijd als er een feest is: we doen nu even onze oren uit. Als je je niet ergert heb je er ook geen last van.” Roland: „En het is de redding van het kasteel.” Ludolphine: „Er moet geld binnenkomen, anders red je het hier niet.”

Geen huis voor kleine kinderen

De nadelen zijn ook niet de reden dat ze weggaan. Die is hun afspraak dat geen van tweeën na de dood van de ander alleen achterblijft in het kasteel – zoals haar moeder overkwam na de dood van haar man. Roland: „Mijn schoonmoeder was op het laatst afhankelijk van haar kinderen. Dat willen wij onze kinderen niet aandoen.” Ludolphine: „Beslist niet.” Roland: „We hebben nog overwogen om te blijven tot 2026. Want dan bestaat het kasteel achthonderd jaar. Maar tegen die tijd zijn we 82.”

Lees ook: Kasteel kopen, iemand?

En hun kinderen? Wilden die hier niet komen wonen om de traditie voort te zetten? Ludolphine: „Dat is niet aan ons.” Roland: „Onze dochter woont in het buitenland, onze zoon heeft drie kleine kinderen. En dit is allang geen huis voor kleine kinderen meer. Het is een andere tijd.”

Wanneer Ludolphine Schimmelpenninck van der Oye en Roland van Haersma Buma straks zijn verhuisd naar een appartement in de stad, wordt ook de zuidvleugel openbaar toegankelijk. De inrichting van de kamers zal opnieuw grotendeels intact blijven, wel wordt op de bovenverdieping waarschijnlijk een bruidssuite ingericht. En daar, verzekert de directie, „zal de familie altijd welkom zijn om te komen logeren”.