Een maand bouwen aan een prehistorisch huis. En het dan in brand steken

Archeologie Wat bleef er over als in de prehistorie een huis afbrandde? In Zeewolde namen archeologen de proef op de som.

In het Horsterwold bij Zeewolde staat een prehistorisch gebouw, zegt het informatiebord bij de parkeerplaats aan de Groenewoudseweg. Dat bord moet binnenkort aangepast worden, want vijftienhonderd meter verderop, op een omheind terrein bij een meertje, resten alleen nog verbrande overblijfselen.

„Dit is het einde van een meerjarig project”, zegt archeoloog Annelou van Gijn, hoogleraar aan de Universiteit Leiden. „In 2012 hebben we hier dankzij Staasbosbeheer met replica’s van stenen werktuigen een neolithisch huis nagebouwd, om het volledige bouwproces te documenteren en de biografie van zo’n huis te kunnen vastleggen. Een paar maanden geleden hebben we het huis in brand gestoken en nu onderzoeken we de gevolgen van de brand en welke sporen hij heeft achtergelaten.”

Een puntdak

Voor de bouw zeven jaar geleden kon beginnen moest er eerst een huisplattegrond worden gekozen. De keuze viel op een plattegrond uit de Vlaardingencultuur van rond 2500 voor Christus, die in 1959 bij Haamstede is opgegraven. „Dat huis was niet zo groot – 9,10 meter lang en 3,80 meter breed – en dus te doen. Alles boven de grond hebben we zelf moeten invullen, want alleen grondsporen zoals paalgaten waren bewaard gebleven”, zegt Van Gijn. Een huis met een puntdak van 45 graden lag voor de hand. „Anders lopen het regenwater en de sneeuw niet weg.”

De woning uit de Vlaardingencultuur werd in 2012 gereconstrueerd. Foto Laboratorium for Artefact Studies, Leiden University

Voor de bouw maakte Diederik Pomstra, een voormalig jurist die zich jaren geleden via Archeon heeft ontwikkeld tot experimenteel archeoloog, 120 bijlen, wiggen, dissels en andere werktuigen van steen, hout, been en gewei. „Nabootsen van werkzaamheden is de enige manier om erachter te komen hoe bepaalde gebruikssporen op opgegraven werktuigen tot stand zijn gekomen”, legt Van Gijn uit.

Gepleisterd met leem

Voorjaar 2012 begonnen studenten archeologie met het kappen van hout bij het terrein. Voor de palen viel de keuze op eik, es, hazelaar en els. Van lindebomen werden lange repen bast getrokken, om er bindmateriaal van te maken. Van Gijn: „In totaal hebben we 87 bomen gekapt.” De palen werden in het meertje bewaard om ze vochtig te houden, tot het begin van de eigenlijke bouw. In augustus was het riet lang genoeg om als dakbedekking te dienen. Wilg werd gebruikt voor de vlechtwanden. „Die hebben we gepleisterd met leem.” Voor de ingangen werden huiden gehangen.

Het vuur kwam door het dak naar buiten

Annelou van Gijn archeoloog

Na vier weken hard werken stond het huis. „Uit voorzorg hebben we zoveel vastgelegd en gedocumenteerd dat we bijna zijn verzopen in de data”, concludeert Van Gijn. „De houten gereedschappen zijn het vaakst gebruikt, een kwart van de tijd. Heel vaak ging het om toevallig gevonden natuurlijke gereedschappen die na gebruik weer werden weggegooid. Puntige stokken bleken heel effectief om een passend gat voor de palen te maken.” Bijlen van vuursteen waren niet geliefd. „Die werden heel snel bot en braken snel”, zegt Van Gijn. „Dat verklaart ook waarom op veel opgegraven vuurstenen werktuigen zo weinig gebruikssporen voorkomen. De bijlen en dissels van kwartsiet en basalt hoefden tijdens de hele bouw juist helemaal niet geslepen te worden.” Het zwaarste en vervelendste werk bleek het snijden van riet te zijn. „Dat heeft vele blaren en sneden opgeleverd. Door tijdgebrek hebben we de helft van het riet met moderne gereedschappen moeten afsnijden.”

Het huis is uiteindelijk gebouwd in vier veertigurige werkweken door tien tot vijftien studenten en twee bouwmeesters. Van Gijn denkt dat het veel sneller kan: „Twee tot drie ervaren mensen zouden het in twee, drie weken kunnen.”

Zon, regen, storm en sneeuw

De afgelopen jaren is het huis vooral voor educatieve doeleinden gebruikt. In die tijd heeft het zon, regen, storm en sneeuw doorstaan. „Zo nu en dan hebben we wel iets moeten vervangen. Een deel van de palen was bijvoorbeeld door rot aangetast”, vertelt Van Gijn. „Mogelijk dat door regelmatig vervangen grote paalgaten ontstaan, want onze gaten waren opvallend kleiner dan paalgaten uit opgravingen. Na het vervangen van de palen ging het huis ook een beetje scheef staan, omdat je de grond na vervanging nooit meer goed stijf aangestampt krijgt.”

Na de bouw is het huisje vooral voor educatieve doeleinden gebruikt. Foto Laboratorium for Artefact Studies, Leiden University

Afgelopen februari was het tijd voor de laatste fase. Onder toezicht van de brandweer werd het gebouw met huisraad en voedsel vanbinnen bij de haardplaats in brand gestoken. „Het werd wat de brandweer noemt een rollover: het vuur kwam door het dak naar buiten en sloeg naar achteren.”

Het vuur werd 983 graden heet. Toch is het huis niet volledig afgebrand. Een van de zijwanden is wel geblakerd maar staat nog grotendeels overeind. Drie studenten zijn bezig om voorwerpen die bewust tijdens de brand zijn achtergelaten terug te vinden en op hun nieuwe plek in te meten. „Door te kijken wat er bewaard is gebleven en te vergelijken met archeologische opgravingen kunnen we onderzoeken wat we bij een echte opgraving nog kunnen concluderen over de inrichting en structuur van zo’n huis”, zegt Van Gijn. In dit geval stelt ze vast dat de lemen vloer is verbrand, een maalsteen door de hitte in stukken is gebarsten en ze heeft een muis met stukjes stof zien zeulen. „Bioturbatie noemen we dat, verstoring van een archeologische vindplaats door natuurlijke oorzaken.” De natuur had al snel nog meer werk gedaan. „Op de plek groeiden nu al weer allerlei pioniersplanten, zoals brandnetel, weegbree en distel.”

Na de brand: niet alles is verdwenen. Foto Laboratorium for Artefact Studies, Leiden University

Na Horsterwold richt Van Gijn haar aandacht op een neolithisch huis dat ze in 2016 in de Vlaardingse Broekpolder hebben gebouwd. „We proberen verschillende bouwtechnieken en verschillende interpretaties van dezelfde plattegrond uit. In Vlaardingen hadden we minder bomen nodig en is de binnenruimte groter uitgevallen. Zo gaan we door, want een goed experiment moet herhaald worden.”