Recensie

Recensie Film

De grote utopische schoonheid van Woodstock 1969

Documentaire Kijken naar de documentaire ‘Woodstock’ is zo zijn eigen trip. Maar de film is ook een sociologisch document, een tijdcapsule, een popcultureel portret van de massaliteit en een ode aan de onschuld.

Schuilen voor de regen op Woodstock.
Schuilen voor de regen op Woodstock. Foto John Dominis

De indrukwekkendste vijftien minuten die je dit jaar in de bioscoop zult zien, zitten helemaal aan het eind van de voor de zoveelste keer langer gemaakte en opgepoetste versie van de oorspronkelijk in 1970 uitgekomen documentaire Woodstock. Het is de vijftigste verjaardag van het legendarische popfestival in Upstate New York, en zeker nu vorige week bekend werd dat de jubileumeditie definitief niet doorgaat, benadert deze film het meest de oorspronkelijke ervaring. Het gezegde gaat dat wie erbij was het zich door alle joints en pillen (inclusief al dan niet vergiftigde of versneden lsd) niet kan herinneren, en deze film geeft ook bepaald geen objectief, evenwichtig beeld.

De diverse cameramensen waren op veel plekken, maar zeker niet overal, waardoor de rampen en ongemakken met grote achteloosheid en argeloosheid passeren. Maar hoe kun je ook de betekenis van iets overzien als je er middenin zit? De enorme toeloop van bezoekers (bijna een half miljoen in plaats van de verwachte 200.000), onweersstormen, te weinig faciliteiten, het uiteindelijke uitroepen van de noodtoestand horen tot de Woodstockmythologie en passeren allemaal de revue. En als je bedenkt hoe weinig er eigenlijk echt misging, dan krijgt het wel wat, die bijna vier uur ‘love and peace’ met hippies.

Kijken naar deze film is zo zijn eigen trip. Maar het is ook een sociologisch document, een tijdcapsule, een popcultureel portret van de massaliteit en de revolutionaire potentie van die nieuwe jeugdcultuur, en een ode aan de onschuld.

En daarom is dat laatste kwartier zo indrukwekkend. Het is maandagochtend 18 augustus, 9 uur. Van de honderdduizenden bezoekers zijn er nog maar een handjevol over. Jimi Hendrix speelt zijn versie van het Amerikaanse volkslied, een ‘Star-Spangled Banner’ vol vervorming, galm en ruis, vol gitaarsalvo’s en feedback die de echo’s laten horen van alle oorlogen waar de Verenigde Staten in verwikkeld waren, met name die in Vietnam en die tienduizend kilometer verderop in volle gang was.

De beelden snijden (onder andere Martin Scorsese en zijn vaste editor Thelma Schoonmaker waren voor de montage verantwoordelijk) van close-ups van Hendrix’ vingers over de snaren van zijn witte Fender Stratocaster, naar de laatste drugszombies op het veld. Twee tweelingbroers eten een watermeloen. Een blootsvoets stel past een paar achtergelaten sportschoenen. Schoonmakers verplaatsen vuilnis van het ene naar het andere hoopje. Geen beginnen aan. En Hendrix speelt maar door. Alsof dat hele concert gestold is in de tijd, een naklank, en die beelden tegelijkertijd een melancholische vooruitschaduwing van teloorgang. Maar in dat na-ijlen zit ook een grote utopische schoonheid.