Opinie

Bewaarkamer

Ellen Deckwitz

Begin juni kreeg mijn neefje (13) de baard in de keel en tussen het uitlachen door was zijn moeder er ook een beetje door van slag. „Was ik er net aan gewend dat ik een kind had, verandert-ie in een volwassen kerel”, mopperde ze, „Echt superjammer. Als ik een vent wilde was ik wel hetero gebleven.”

Lang duurde haar gemok niet, want een bijkomend voordeel van die baard was dat mijn neefjes stem dagelijks tachtig keer oversloeg en hij zich daar zo voor geneerde dat hij eindelijk eens zijn mond hield. Ik ben dol op hem hoor en zijn moeder meestal ook, maar het was wel even een aangename bijkomstigheid dat je niet bij alles wat je doet meteen live werd becommentarieerd door een vroegwijs (vindt hij zelf althans) genie (idem).

Gisteravond was ik bij mijn moeder en vertelde ik haar dat haar oudste kleinkind tegenwoordig klinkt als een mix van Gonzo uit The Muppet Show en een verkouden stuk pluimvee. Ze belde meteen mijn neefje, die tot ons beider verrassing opnam. Ze keuvelden wat over en weer, maar waar ik verwachtte dat mijn moeder ieder moment in lachen uit zou barsten over de stuiterende stem van haar nazaat, werd ze steeds bleker. Nadat ze ophing staarde ze voor zich uit.

„Gaat het?”, vroeg ik.

„Precies de stem van mijn pa”, zei ze zacht. Ze verloor haar vader toen ze zestien was.

‘Het was even”, begon ze, „alsof hij nooit dood was geweest. Alsof hij al die jaren gewoon even weg was, en nu weer tevoorschijn kwam.” Ik wilde doorvragen, maar ze zei dat ze even moest nadenken, wat bij mijn moeder codetaal is voor een uur in bed liggen met de dekens over haar hoofd. Ze haastte zich de woonkamer uit.

„Wow”, zei mijn zus toen ik haar dit vertelde, „dus via mij is die stem er weer. Bizar dat ik jarenlang iets van een opa die ik nooit heb ontmoet, in mijn DNA had zitten. Alsof mijn lichaam een bewaarkamer was voor de doden.”

Ik staarde naar mijn handen. Mijn hele familie heeft worstenvingers, de mijne zijn lang en knoestig als takken. Geen idee van wie ik ze heb, geen idee wie van mijn voorouders deze handen koesterde, streelde, miste toen ze er niet meer waren. Ik vouwde ze in elkaar en keek naar het raadsel dat mijn lichaam is, waar het ontwerp vandaan komt, welke verdwenen geliefden erin sluimeren.

Boven hoorde ik mijn moeder snikken, om levens die stoppen en om levens die weer worden doorgegeven, en hoe slecht we tegen beide bestand zijn.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.