Thuis de chemokuur ondergaan

Zorg aan huis Joke Bronsvoort (67) is een van de eersten die bij het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn haar chemokuur thuis ondergaat.

Joke Bronsvoort krijgt thuis haar chemokuur. Deze wordt toegepast, verschoond en afgekoppeld door de thuiszorg.
Joke Bronsvoort krijgt thuis haar chemokuur. Deze wordt toegepast, verschoond en afgekoppeld door de thuiszorg. Foto Daniel Niessen

Al voor het middaguur heeft Joke Bronsvoort (67) gestofzuigd, haar bed afgehaald en de wasmachine aangezet. Nu maait ze het gras. Behendig springt ze over een verlengsnoer heen.

Alleen een infuus in haar arm en een slangetje uit een heuptasje verraden dat het geen normale dag is. Bronsvoort ondergaat – in haar rijtjeshuis in het centrum van Apeldoorn – chemotherapie. Een dag eerder is in het nabijgelegen ziekenhuis (van Gelre ziekenhuizen) een infuus in haar arm geprikt. ’s Avonds kon Bronsvoort al naar huis. De thuiszorg komt het infuus na twee nachten weer afkoppelen.

Lees ook het achtergrondverhaal: Meer zorg thuis klinkt goed, is lastig

‘Vulvacarcinoom’. Bronsvoort had er nog nooit van gehoord, terwijl ze nota bene bij een verloskundigenpraktijk werkte. Afgelopen november vonden artsen een tumor bij haar vagina. In januari vonden ze er een in de alvleesklier.

„En ik had nooit wat”, zegt ze. „Een spuit vond ik al verschrikkelijk. Nou, ze spuiten me nu plat hoor. Gisteren weer, zo’n grote.”

„Het went niet”, zegt Tim Wessels (31), haar zoon. Bronsvoort, nog eens: „Het went níét.”

Wessels zit aan de keukentafel. Hij kwam spontaan binnenlopen, dat doet hij wel vaker. Als Bronsvoort blijkt te slapen, sluipt hij weer weg. Anders doen ze een legpuzzel, of helpt hij haar met een boodschapje. Ze zijn het erover eens dat een chemokuur thuis ondergaan een geweldig idee is.

Wessels: „In het ziekenhuis gaat natuurlijk nooit een raam open.” Bronsvoort: „Alles zit gewoon potdicht.” Wessels: „Dat slaapt niet lekker.”

Bronsvoort: „Nee, dat is niet fijn.”

Ze hebben samen berekend dat Bronsvoort door de nieuwe aanpak van het Gelre Ziekenhuis vierentwintig dagen extra thuis kan zijn – dagen die ze anders in het ziekenhuis zou hebben doorgebracht.

Foto Daniel Niessen
Foto Daniel Niessen

Heuptasje

„Het ziekenhuis is nou niet een plek waarvan je denkt: hier word ik vrolijk”, zet Bronsvoort. „Je hangt aan een infuuspaal en je mag de afdeling niet af. Je kunt een rondje lopen, nog een rondje, even op de hometrainer. En wat ga je dan doen? Je ligt daar maar te liggen.”

Bronsvoort wandelde vaak door het ziekenhuis. „Dan zie je vanaf de gang naambordjes van andere patiënten en later in de krant dat ze zijn overleden. Nee, geef mij maar thuis.”

Bronsvoort heeft geluk dat ze zich nog redelijk voelt. Een voordeel dat ze benut: de hele dag scharrelt ze rond in huis. Ze laat zien hoe de chemokuur uit een grijzig heuptasje ( „aan dat tasje hadden ze wel iets meer geld mogen uitgeven”) komt. Het tasje moet ze continu dragen. Douchen gaat voorzichtig, tijdens het slapen legt ze het tasje bij haar hoofdkussen. „Ik moet erop letten dat ik het ’s nachts niet vergeet mee te nemen naar het toilet.”

Wessels appte zijn moeder gisteravond nog: „Heb je wel gegeten?” Voor eten moet ze, anders dan in het ziekenhuis, zelf zorgen. Niet erg, vindt Bronsvoort. Ze eet kleine hapjes en heeft genoeg soep in de diepvries liggen.

„In het ziekenhuis krijg je het ontbijt al om acht uur”, zegt ze. „Het avondeten om vijf uur. Maar hoe verteer je het daar? Je ligt maar op de klok te kijken. Tuurlijk heb je wel eens leuke gesprekken met kamergenoten, maar vaak gaat het dan over hetzelfde.”

Wessels: „Thuis ben je minder bezig met ziek zijn.” Bronsvoort: „Je bent minder patiënt, meer mens.”