Opinie

Opfleurstrijd

Christiaan Weijts

Ik was lang niet meer in het Loiredal geweest, en nu was er, in de kalme afwisseling van wijngaarden, kastelen, kerncentrales en dorpen, ineens iets nieuws. Een bordje, onder elke plaatsnaam: ‘village fleuri’, gevolgd door één, twee of meer bloemen. Je probeert dan iets van rechtvaardigheid achter dit puntensysteem te ontwaren, maar dat viel niet mee. Er waren juweeltjes met maar één bloempje en volstrekte gribussen met wel drie. De dorpelingen die ik erover uithoorde beweerden dat het een optelsom is van biodiversiteit, duurzaamheid en leefbaarheid.

De beschaving heeft ook de middeleeuwsekastelenstreek bereikt.

Nieuw bleek het allerminst. Dit nationale ‘concours’ van fleurige steden en dorpjes bestaat al zestig jaar, maar vanwege dit jubeljaar kwamen er nieuwe bordjes in de 4.931 gelukkige gemeenten.

Een fantastisch foefje om een heel land op te fleuren. Niemand wil onderdoen voor het dorp verderop.

Ik wil al een ronkend pleidooi schrijven om dit ook in ons land te importeren, terwijl ik koffiedrink in een tweebloemenstadje, met als enige fleurige attractie vier bloembakken rond het onvermijdelijke oorlogsmonument. Naast me zit een man een stapel krasloten open te krabben met een muntje.

Dan arriveert een terreinwagen waaruit een man, in geel hesje, een sproeier uitrolt die hij boven de bloembakken houdt. In de wagen dreunt een dieselaggregaat. Een bijtende walm verspreidt zich over het terras. De bloemenman lacht, alsof die twee Michelinbloemen zijn persoonlijke verdienste zijn, ook al verdampt het water onmiddellijk in de verzengende zon. Bij ons had een waterschapsinspecteur hem allang een beroepsverbod opgelegd.

Verderop duwt een vrouw een Leclerc-karretje naar haar Twingo, van hetzelfde matisseblauw als haar zomerjurkje. De bloemenman bestudeert hoe ze bukt bij het uitladen van haar boodschappen. Rokjesdag is het, al zeker vier maanden lang. Het kijken heeft iets verzadigds, als van verwend kroost in een ijssalon.

Als ze bijna klaar is, zien we het allebei gebeuren, de kraslotenman en ik. Op het vals plat van het pleintje rolt haar boodschappenwagentje, alsof een plagerige hand het radiografisch bestuurt, naar het monument der gevallenen.

Niemand grijpt in, maar lachen doen we evenmin. Alleen de bloemenman roept wat, als het voertuig tegen zijn been strandt. Opgewekt begint hij te ratelen tegen de vrouw, die zwijgend de kar terugduwt, haar mooie gezicht in oorwurmstand.

Boodschappen doet iedereen per auto. Langs de terrassen aan de lieflijke rivier raast permanent verkeer. Die villes et villages fleuris hebben nog wel wat verbeterpuntjes.

Nu zie ik haar de Loire oversteken, een glinsterend vlakje op een Romeinse brug, op weg tussen kastelen, wijngaarden en de kerncentrale waaruit de enige wolken van vandaag loodrecht de hemel in groeien.

Christiaan Weijts schrijft op deze plek in de zomerperiode drie keer per week een column.