Kinderen zijn zeven tot twaalf maanden later zindelijk dan dertig jaar geleden

Zindelijk In elke kleuterklas zit gemiddeld zeker één kind dat nog niet zindelijk is. Een probleem voor scholen, maar ook voor ouders. „Gedragsverandering is hartstikke moeilijk.”

Illustratie Inge Trienekens

Haar 6-jarige dochter was niet zindelijk toen ze 4 werd en naar de basisschool ging. „Van school mocht ze geen luier om”, vertelt moeder Dominique Pijpstra uit Rotterdam. „Ze moet het leren, zeiden ze.” Pijpstra ging meerdere keren naar de huisarts. „Die deed er laconiek over. Het zou vanzelf goedkomen, ik moest mijn kind de tijd geven. Maar ik dacht: die tijd heb ik niet.” Ze gaf haar per dag minstens drie setjes schone kleding mee naar school. „Op de ergste dagen kreeg ik acht natte broeken mee van school en de naschoolse opvang.”

De meeste basisscholen verwachten dat een kind zindelijk is als het op school begint. Onderwijzers hebben geen tijd om luiers te verschonen. Ouders voelen die druk, merkt ook Evelien de Visser, jeugdverpleegkundige bij Jeugdgezondheidszorg Kennemerland. Met 3 jaar en 9 maanden komen de meeste kinderen hier voor de laatste afspraak op het consultatiebureau. „Zindelijkheid komt dan altijd ter sprake en als het rond die leeftijd nog niet is gelukt, zijn ouders vaak zenuwachtig.”

Behalve school is er ook sociale druk. Commentaar uit de omgeving. „Een schoonmoeder of een buurvrouw die steeds zegt: ik had ze al zindelijk toen ze 2 waren, hoor. Dat is frustrerend. Dan denk je: wat doe ik verkeerd?”

Kinderen nu zijn zeven tot twaalf maanden later zindelijk dan dertig jaar geleden. Deskundigen denken dat dit komt doordat wegwerpluiers prettig zijn. Ze nemen urine goed op dus daar heeft het kind geen last van en voor ouders is het ook makkelijk; vroeger moest je de vieze lappen stof uitkoken in een pan.

Wat ook meespeelt: een kind heeft nu meer opvoeders dan vroeger. Meer moeders werken, kinderen gaan naar een crèche, hebben een oppas thuis of gaan een vaste dag naar opa en oma. Een ouder pakt de eerste tekenen van interesse in de wc misschien later op of heeft minder tijd om een paar weken consequent de zindelijkheid te trainen.

In 2017 is er onderzoek gedaan onder alle zesduizend basisscholen in Nederland. Van alle kinderen die voor het eerst naar groep 1 gaan, bleek 4 procent niet zindelijk (één kind per kleuterklas). Uit het onderzoek kwam ook dat onderwijzers dit in toenemende mate zien als een probleem. Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid schrijft in haar richtlijn over zindelijkheid dat ongeveer 7 procent van de 4- tot 7-jarigen nog wel eens in de broek plast; dat zijn gemiddeld twee kinderen per klas. Eind augustus gaan een hele hoop kinderen die in de zomer 4 worden voor het eerst naar de basisschool.

Voor veel ouders is de zomer een fijne tijd om te werken aan de zindelijkheid. Op de camping, rond het vakantiehuis of thuis kunnen kinderen rondlopen in luchtige kleding, een zwembroekje, of bloot. Op vakantie hebben ouders meer tijd om een peuter te begeleiden.

Broekpoepen

Het consultatiebureau plant expres een afspraak in als een kind 3 jaar en 9 maanden is, „want dan hebben we nog drie maanden om het ‘te fiksen’”, zegt jeugdverpleegkundige De Visser. Áls er op die leeftijd problemen zijn met zindelijkheid, gaat het volgens De Visser ook vaak om broekpoepen – een kind wil of durft niet op de wc te poepen. Ze zoeken een andere plek op, een hoekje in de gang bijvoorbeeld, en poepen in hun broek. Of ouders geven hun een luier en dan doen ze het daarin.

Waarom? Angst, stress in huis, aandacht willen trekken, veranderingen in het gezin, verhuizing, scheiding, een broertje of zusje erbij. En zo zijn er nog honderd redenen. Het kan psychologisch zijn, maar ook iets eenvoudigs, zegt De Visser. „Een krukje onder het toilet waar de voeten op kunnen rusten, vinden de meeste kinderen prettig.” Als het nodig is gaat ze op huisbezoek. Daar kijkt ze eerst naar de basis: hoe ziet de wc eruit.

Ze merkt dat ouders vaak niet weten dat het consultatiebureau een aparte afspraak kan inplannen om te helpen bij de zindelijkheidstraining. Bij het reguliere consult is te weinig tijd om het hier goed over te hebben; het kind moet gewogen en opgemeten, een ogentest doen, een vaccinatie krijgen.

Bij het gezin thuis maakt De Visser een plan. Een kind dat alleen wil poepen in de luier, wordt langzaam verleid om dat op de wc te doen. Dit gaat stap voor stap, steeds dichter naar de wc toe. Sommige kinderen zoeken een rustig plekje op om in de luier te poepen, bijvoorbeeld onder tafel. Dat is dan het startpunt, daarna poepen in de luier in de woonkamer, dan in de gang, dan voor het toilet en uiteindelijk: luier af en op het toilet.

Goed gedrag mag beloond worden, met een sticker of een kwartiertje langer opblijven. Slecht gedrag mag moeilijk worden gemaakt: als een kind een ongelukje heeft, mag het zelf de natte kleding uittrekken, bij de wasmachine leggen en schone kleding pakken. „Straffen werkt averechts”, zegt De Visser. Bij elke vieze broek moet je rustig blijven. Niet je teleurstelling tonen. „Je moet je verwachtingen bijstellen. Missers horen erbij.”

Plagen is ook geen goed idee. „Zeg niet tegen de buurvrouw: hij is bijna 4 maar heeft nog een luier om. Dat is privé, ook voor een kind.”

Dominique Pijpstra zit intussen met haar dochter bij de poeppoli van het Maasstad Ziekenhuis. Ze is nu 6 en poept nog steeds niet op de wc. „Ik zit met mijn handen in het haar”, zegt Pijpstra. „Zit het tussen haar oren?” Marjolijn Landman, verpleegkundig specialist, denkt van wel. „In 97 procent van de gevallen is er geen fysieke oorzaak. Het probleem is gedragsmatig.” Op de poeppoli helpt Landman – die ook initiatiefnemer was van het onderzoek naar zindelijkheid van kinderen als ze starten op de basisschool – samen met een team artsen, verpleegkundigen en orthopedagogen om dat gedrag aan te passen. Het kan snel gaan, maar ook maanden duren. „Probeer maar eens te stoppen met roken. Of snoepen. Een gedragsverandering is hartstikke moeilijk.”

Etappe-poepen

Vandaag komt ook een 5-jarig jongetje uit Berkel en Rodenrijs met zijn ouders voor een intakegesprek. Moeder Jessica (die in verband met de privacy van haar kind haar achternaam niet in de krant wil) moet hem omschrijven. De klachten zijn begonnen toen hij 3 was. Hij eet goed: vezels, fruit, rauwkost. Een vrolijk ventje, beetje recalcitrant soms. Hij poept heel vaak, maar heel weinig. „We noemen het etappe-poepen. Soms doet hij het op de wc, meestal in de broek. Hij is bang, denkt dat het scheurt daar beneden.” Ze hebben van alles geprobeerd: straffen, belonen, hem zelf zijn onderbroeken laten schoonmaken met water, groene zeep en een afwasborstel. Drie keer per dag een wekker laten afgaan en hem op vaste momenten op het toilet laten zitten.

Landman kijkt hem na. „Het kan dat de anus een keer een beetje is uitgescheurd en dat hij sindsdien poepen associeert met pijn. Zijn aandrangsgevoel is verstoord, doordat hij het zo lang mogelijk ophoudt.”

Hij is op school begonnen met halve dagen, vanwege de zindelijkheidsproblemen. De juf heeft hem geleerd zichzelf te verschonen. Jessica: „We hebben hem voorgehouden dat kinderen hem hiermee gaan pesten, maar hij is een clown met zijn poep, de kinderen vinden het prachtig als hij weer eens half bloot in het toilet staat.”

Tijdens de vervolgafspraak laat de orthopedagoog het jongetje plaatjes zien van verschillende formaten poep – erwtjes, bitterballen, kroketten en komkommerdrollen. Hoe groot zijn die van hem? Hij wijst naar de erwten en de bitterballen. Dat moeten twee kroketten per dag worden. Hij moet leren leegpoepen en het niet meer ophouden. Jessica vraagt hoe lang het gaat duren, maar daar kan de orthopedagoog geen duidelijk antwoord op geven. Het verschilt per kind. Of zoals Marjolijn Landman het verwoordt: „Over de mond en de kont hebben we geen macht.”

Correctie (13-8-2019): In een eerdere versie van dit stuk stond de voornaam van de dochter van Dominique Pijpstra vermeld. Die is wegens privacy-redenen verwijderd.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.