Blowen op de bank met de gaskraan open

Wie: Josephine (56)

Kwestie: brandstichting in portiekflat

Waar: rechtbank in Groningen

De Zitting

Hoe gaat het met u?” Tegenover de rechter duikt een magere vrouw weg in haar sweater. Ze heet Josephine, is 56 jaar en heeft volgens de officier van justitie brand gesticht in haar flat, een sociale huurwoning op nog geen vijf minuten lopen van de rechtbank.

Josephine zwijgt en ook de rechters laten een stilte vallen.

„Ik wil graag terug naar 3 april”, probeert de voorzitter nog eens. „Wat is er toen gebeurd?”

„Het werd me te veel en toen is het zo gekomen.”

„Wat?”

„Dat ik brand stichtte.”

„Ik lees dat u papier en foto’s tegen de voordeur in de brand had gestoken, weet u nog waarom?”

Stilte.

„Het was een zware periode?”

Stilte.

„U zei tegen de politie: het heeft met buurvrouw te maken. Zegt u dat nog steeds?”

„Ja.”

„Er zitten ook foto’s in het politiedossier van de gordijnen en de vloerbedekking in de woonkamer. Die stonden in brand.”

Stilte. De minuten tikken weg. Het zwijgen legt een deken over de zaak. Zit hier een verwarde vrouw?

De voorzitter schakelt over op nog meer empathie. „De brandweer trof u aan op de bank. U rookte een sigaret. En de gaskraan stond open.”

„Nee, dat stukje weet ik niet meer. Het zijn hele vage beelden.”

„Wat was uw bedoeling?”

„Nou, waarschijnlijk wou ik er een beetje een eind aan maken.”

„Voor uzelf of buurvrouw?”

„Voor mezelf. Maar ik ben blij dat ’t niet gelukt is en ik zal het nooit weer doen.”

Op 3 april, even voor elf uur ’s avonds, kreeg de meldkamer telefoon. Brand in een portiekwoning uit de jaren dertig. De buren waren wakker geschrokken van de rook. Josephine had papier in brand gestoken en de gaskraan opengedraaid. De brandweer redde haar en een kat die van zes hoog naar beneden was gesprongen.

„De brand had kunnen overslaan naar de slaapkamer van uw buren”, zegt de rechter. „Dat had gevaar opgeleverd voor andere mensen. Had u zich dat gerealiseerd?”

„Nee.”

„Kunt u het zich achteraf voorstellen dat dit kan gebeuren?”

„Achteraf.”

Binnen vonden brandweerlieden Josephine, ze zat te blowen op de bank. Verdachte kampt met een cannabisverslaving, rapporteerde de psycholoog. Ook lijdt ze volgens de psychiater aan een schizofrene stoornis.

„U had moeilijke periode”, weet de rechter. „Niet lang daarvoor was uw man overleden. Deskundigen denken dat u psychotisch was.”

„Dat denk ik ook.”

,,Meer dan tien jaar geleden werd u daarvoor al eens behandeld.”

Een kort knikje.

„Hoe ging het voor 3 april met u?”

Stilte.

„Had u contact met mensen?”

„Een heel klein beetje.”

„De psychiater en psycholoog zeggen dat u die avond niet toerekeningsvatbaar was. Als u in een ziekenhuis behandeld wordt en uw medicijnen slikt, is de kans gering dat u in herhaling valt. Daarna kunt u met wat begeleiding weer op uzelf wonen. Ziet u dat zitten?”

Stilte.

„Gebruikt u nu medicijnen?”

Fluisterend: „Ja, antipsychotica en die moet ik blijven slikken.”

Ook de officier van justitie vindt dat Josephine op 3 april volledig ontoerekeningsvatbaar was zodat van „een strafbare dader geen sprake was.” Hij eist een jaar opname in een psychiatrisch ziekenhuis. De advocaat is het daarmee eens. „Psychiatrische opname is in belang van mijn cliënt en biedt voldoende bescherming voor de samenleving.”

De rechters sluiten het onderzoek en doen meteen uitspraak. Josephine heeft opzettelijk brand gesticht, maar was volledig ontoerekeningsvatbaar. Ze moet zich voor maximaal een jaar laten behandelen in een psychiatrisch ziekenhuis.

Voor het eerst kijkt de verdachte op. Van opluchting?

„Ik wens u sterkte”, zegt de voorzitter. „Ik hoop dat u straks weer mentaal gezond naar buiten komt.”