Opinie

Waarom we idealisten haten

Tommy Wieringa

Geen menstype roept zoveel weerzin op als de idealist. ‘Idealisten zijn heel gevaarlijke mensen’, zegt een oud-SS-man in De SS’ers van Armando en Sleutelaar, ‘je zou ze allemaal tegen de muur zetten.’ (Ik citeer uit mijn hoofd omdat ik bijna tweeduizend kilometer bij mijn boekenkast vandaan ben.) Hij doelde vooral op communisten en niet op de tak van het nationaal-socialistische idealisme waartoe hij zelf behoorde.

Een idealist zal zijn ideaal maar zelden voor zich houden of zich er in stille afzondering aan wijden – hij moet het uitdragen en aan anderen opdringen, anders is zijn geluk niet compleet. In oplopende graden van dwang zal hij proberen de wereld in te richten naar zijn geestelijk beginsel. Als je geluk hebt, houdt hij het bij flyers en vreugdeloze discussies, in het slechtste geval richt hij een strafkamp en een fusilladeplaats in voor wie zijn ideaal niet deelt.

De moralist is nauw verwant aan de idealist, ze zijn vaak niet van elkaar te onderscheiden. In de klimaatdiscussie roepen moralisten veel weerstand op. Prins Harry die slechts twee kinderen wil vanwege zijn ecologische voetafdruk, maar wel in een privévliegtuig de wereld rondvliegt. Jesse Klaver die door Mark Rutte wordt beschimpt wanneer hij met de dienstauto naar de coalitieonderhandelingen komt, terwijl Rutte zelf te voet kwam.

Afgelopen maandag somde Wouter van Noort in NRC zijn bezwaren op tegen ‘de zelfverklaard klimaatbewuste elite’. Al Gore en Ed Nijpels met hun hoge energierekeningen, Justin Trudeau die thuis niet aan plasticreductie doet, de privéjets waarmee deelnemers naar Googles klimaattop op Sicilië waren gekomen.

De lijst is naar believen aan te vullen en uit te breiden naar andere terreinen: wanneer een sociaal-democraat de politiek vaarwel zegt en een bestuursfunctie aanvaardt bij een bank of een oliemaatschappij kost hem dat onmiddellijk zijn geloofwaardigheid. Bij Gerrit Zalm heet het een baan, bij Wim Kok graaien.

Naar algemeen gevoelen moet een idealist leven naar zijn overtuigingen: practice what you preach. Hij lijkt daarin op de priester, die moet voorleven wat hij predikt. Het is een geliefd gezelschapsspel om milieu-idealisten te ontmaskeren als hypocrieten. Bijgevolg raakt het doel van een beter milieu met elk demasqué in diskrediet. Als de vertegenwoordiger niet deugt, zal zijn motief ook wel niet deugen. Maar inzake een beter milieu is volstrekte consequentheid onmogelijk: pas in de dood zullen we klimaatneutraal zijn.

In zijn boek Hoe gaan we dit uitleggen kiest Jelmer Mommers de vlucht naar voren met een zelfbeschuldiging: „Er is ontzettend veel hypocrisie. Ik kan ervan getuigen. Enerzijds schrijf ik over de opwarming, geloof ik vurig dat we meer actie moeten ondernemen, en heb ik een aantal dingen in mijn eigen leven aangepast omdat ik me zorgen maak over het milieu. Ik eet bijvoorbeeld geen vlees meer en vlieg sinds vorig jaar niet meer. Maar ik rijd soms nog wel auto en ik heb tijdens het schrijven van dit boek voor het eerst in mijn leven geskied, op nepsneeuw nota bene. Het zou zelfbedrog zijn om te doen alsof ik een ‘positieve bijdrage’ lever – dat is gewoon onzin als je kijkt naar de vervuiling die ik veroorzaak. Hoogstens belast ik de natuur elk jaar een beetje minder, recycle ik iets meer, composteer ik iets meer dan het jaar ervoor. Maar dat is echt geen reden voor zelffelicitatie. Onder de streep ben ik nog steeds een vervuiler.”

Een heldere verdediging van de inconsequentie: niemand kan een mens uit één stuk zijn. Een feilbare heilige of een gecorrumpeerde engel hooguit. Onze onzuiverheid is aangeboren, onze schaamte onnodig.

Wat me brengt bij een twee uur durend vraaggesprek dat Wim Brands eens had met Leo Vroman op de VPRO-radio. Toen Brands de oude dichter op zeker moment op een inconsequentie meende te betrappen, riep hij uit: „Maar in het vorige uur zei je…” Waarop Vroman geduldig antwoordde: „Maar meneer Brands, dat is alweer zó lang geleden…”

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.