Opinie

Uitzondering

Marcel van Roosmalen

In een geweldige Andere Tijden Sport over Piet Keizer kwam zondag voormalig Ajax-fysiotherapeut Salo Muller voorbij. Zoals dat dan gaat las ik daarna het interview met hem in de rubriek ‘Land van afkomst’ van Robert Vuijsje in de Volkskrant, waarin hij zei dat hij Nederlanders „aardige gewone mensen” vindt. Met de kanttekening dat 80 procent in de Tweede Wereldoorlog aan de verkeerde kant stond.

„Mocht het weer gebeuren, dan zou het me niet verbazen als ze ons aan ons lot overlieten.”

Met ‘ons’ doelde hij op de Joden.

Van 1942 tot 1946 zat hij ondergedoken.

„Bij vreemde families, waar ik slaag kreeg.”

Die families namen hem niet uit liefdadigheid in huis.

„Ben je gek, ze kregen er geld voor, 7 gulden 50 per week.”

Voor sommige mensen waren deze uitspraken een eyeopener, ze zijn waarschijnlijk net als ik opgegroeid met andere oorlogsverhalen. Ik leerde dat mensen die onderduikers in huis namen helden waren, dat een grote groep het voor het geld deed werd er niet bij verteld. Mij vielen de schellen van de ogen toen ik een paar jaar geleden bij ‘Hugo’s’, een koffiesalon aan de Hoofdstraat in Velp, in gesprek raakte met een verdwaalde oude dame die haar onderduikadres in Velp nogmaals had bezocht.

Haar ouders hadden de oorlog niet overleefd.

„Nee, die hadden pech, die zaten in Arnhem, dat was berucht vanwege de hoge huren. Ze kwamen het gewoon even zeggen dat het bedrag weer verdubbeld zou worden en dat ze er anders maar uit moesten. Nou zo gezegd, zo gedaan. Toen er even niemand meer was om de huur voor ze te betalen, werden ze op straat gezet.”

In het boek Andere Achterhuizen: Verhalen van Joodse onderduikers (2010) van Marcel Prins en Peter Henk Steenhuis las ik later onder andere het schrijnende onderduikverhaal van Leni de Vries (1938), die als vierjarige werd opgehaald door een kapper uit Neede en met een zwarte T-Ford naar een familie met vijf kinderen in Enschede werd gebracht.

„De familie heeft mij doorlopend laten voelen dat ik geen kind van hen was (…) Op zaterdag waste tante Nelly ons uitgebreid. Ik moest op een gele keukenstoel staan – ik ben nog altijd allergisch voor gele stoelen. Voor zij mij hardhandig begon te wassen gaf ze me eerst zonder aanwijsbare reden zo veel klappen dat ik tot de volgende zaterdag bont en blauw zag. (…) Halverwege de maaltijd haalde tante Nelly mijn bord weg, ik zou het toch wel niet lusten. Ze gaf het resterende eten dan aan haar zoon die tien jaar ouder was dan ik.”

Er waren natuurlijk ook andere Nederlanders, echte helden.

Ze kunnen niet lang genoeg in het zonnetje worden gezet.

Niet als regel, maar als uitzondering.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.