Mijn Surinaamse oudoom is nu een straatnaam

Geschiedenis In Amsterdam worden straten vernoemd naar strijders tegen kolonisator Nederland. Ook een oudoom van correspondent Nina Jurna zit daarbij.

Een 'Hall of Fame' in Paramaribo met Surinaamse helden waaronder: (v.l.n.r.) Dr. Sopfie Redmond, Louis Doedel, Albert Helman, Papa Touwtjie en Lieve Hugo.
Een 'Hall of Fame' in Paramaribo met Surinaamse helden waaronder: (v.l.n.r.) Dr. Sopfie Redmond, Louis Doedel, Albert Helman, Papa Touwtjie en Lieve Hugo. Foto Herstein / Hollandse Hoogte

Zijn naam staat er echt. Op een lijst van de gemeente Amsterdam met 27 namen van strijders die tijdens hun leven in Suriname, de voormalige Antillen en Indonesië tegen de Nederlandse koloniale overheersing streden en nu een eigen straat in de hoofdstad krijgen, zie ik mijn Surinaamse oudoom Louis Doedel vermeld. Doedel (1905-1980) richtte in 1931 de eerste vakbondspartij van Suriname op.

De toenmalige Nederlandse kolonie werd in de crisisjaren 30 geteisterd door grote werkloosheid, honger en armoede. Een ander antwoord dan hard inslaan op de duizenden hongerige werklozen die onder leiding van Doedel de straat opgingen en protesteerden had het koloniaal gezag niet. Bij het beruchte ‘hongeroproer’ werd het vuur geopend en vielen doden.

Doedel runde een gaarkeuken, bracht een activistisch blad uit en had een eigen kantoor waar werklozen zich konden melden. Maar de keiharde Nederlandse gouverneur Johannes Kielstra – die eerder in Nederlands-Indië bestuurder en hoogleraar was – duldde geen oproeikraaiers in de Nederlandse kolonie en liet Doedel opsluiten.

Toen ik als twintiger en beginnend journalist in de jaren ’90 voor het eerst in Suriname was hoorde ik van mensen die mijn oudoom nog hadden gekend hoe hij was gearresteerd. Uit wanhoop over de situatie en de onverschillige houding van Kielstra trok Doedel onaangekondigd met een scherpe petitie naar het gouvernementspaleis waar in die tijd slechts de witte Europese elite mocht komen. Uit protest smeerde Doedel zijn gezicht in met pimba doti – een soort witte klei.

„Kijk ik ben ook wit, mag ik nu de gouverneur spreken”, zou hij hebben gezegd. Hij werd gearresteerd, ‘gek’ verklaard en opgesloten in Wolfenbuttel, een toenmalige beruchte inrichting waar tegenstanders van het koloniaal regime vaker ‘ter observatie’ naartoe werden gestuurd.

Doedel werd hier 43 jaar lang opgesloten en zat dus langer vast dan Nelson Mandela. Ondanks talloze ontsnappingspogingen bleef hij hier bijna de rest van zijn leven vastzitten. Er trad een wet in werking waardoor het verboden was om nog over hem te praten, en hij raakte in de vergetelheid. Pas in 1980 – Suriname was inmiddels vijf jaar onafhankelijk van Nederland– werd Doedel ‘herontdekt’, uit de inrichting gehaald, en in ere hersteld, maar hij was oud en ziek en overleed na zeer korte tijd.

„We willen de diversiteit van de Amsterdamse bevolking tot uiting laten komen in de straatnamen”, staat er in de officiële bekendmaking van Amsterdam ter onderbouwing van de 27 nieuwe namen. Historisch, dat er een straat vernoemd wordt in het land van de ex-kolonisator naar deze ooit felle tegenstanders van Nederland.

Een straatnaam hebben ze, nu nog een plekje in het Nederlandse geschiedenisonderwijs.

Correctie (9-8-2019): In een eerdere versie van dit stuk stond dat Kielstra eerder in Nederlands-Indië met harde hand regeerde dat is hier aangepast.