Insecticide in luizenpoep doodt bijen en mieren

Biologie In luizenuitwerpselen (honingdauw) zit veel suiker. Vliegende insecten eten het graag. Maar er zit ook dodelijk gif in.

Wolluis, hier op de buik gezien
Wolluis, hier op de buik gezien Foto Getty Images

Honigdauw – de poep van blad- en wolluizen – blijkt soms neonicotinoïden te bevatten. Dat is slecht nieuws voor onder andere bijen, mieren, zweefvliegen en sluipwespen. Die eten de zoete, kleverige uitwerpselen, en kunnen zodoende de giftige insecticiden binnenkrijgen. Nectar met neonicotinoïden (‘neonics’) kan dodelijk zijn voor deze insecten, was al bekend uit eerder onderzoek. Dat geldt ook voor honingdauw, concluderen Spaanse en Nederlandse wetenschappers nu in wetenschappelijk tijdschrift PNAS.

„Wolluizen en enkele andere soorten, zoals bladluizen, zijn sapstroomzuigers”, zegt Marcel Dicke, hoogleraar entomologie aan de Wageningen Universiteit en co-auteur van het artikel. „Ze zuigen de suikerrijke plantensappen op. Maar omdat ze weinig bewegen en veel nakomelingen produceren, hebben ze vooral veel eiwitten nodig. Dus wat doen ze? Ze filteren de aminozuren die ze nodig hebben uit het afgetapte plantensap, en de suikerrijke resten poepen ze uit. Die vormen een ideale suikerbron voor insecten als zweefvliegen en sluipwespen.” Uit eerder onderzoek blijkt dat ruim 50 procent van de sluipwespen in citrusboomgaarden en tarwevelden regelmatig honingdauw eet. Vooral in landbouwgebieden is honingdauw een belangrijke, koolhydraatrijke voedselbron voor insecten.

Alle zweefvliegen stierven

De onderzoekers behandelden citrusbomen op twee manieren met twee veelvoorkomende soorten neonics (thiamethoxam en imidacloprid): ze injecteerden de insecticide in de bodem of bespoten de bladeren ermee. Vervolgens lieten ze citruswolluizen plantensap van behandelde en onbehandelde bomen aftappen en voerden ze de honingdauw aan zweefvliegen (Sphaerophoria rueppelli) en sluipwespen (Anagyrus pseudococci).

Bij citrusbomen waarvan de bladeren waren behandeld met thiamethoxam (dat zo’n 25 procent van de Europese insecticidenmarkt uitmaakt) stierven alle zweefvliegen. Een bladbehandeling met imidacloprid (dat nóg iets vaker wordt gebruikt als insecticide) zorgde ervoor dat bijna 50 procent van de zweefvliegen binnen drie dagen stierf. Bij de bodeminjectie stierf zo’n tweederde van de zweefvliegen door thiamethoxam; imidacloprid had geen significant effect. Ook de sluipwespen waren vooral gevoelig voor thiamethoxam: bijna 60 procent stierf, zowel na bladbehandeling als na bodeminjectie. Imidacloprid zorgde niet voor significant meer dode wespen.

De onderzoekers benadrukken dat neonics-honingdauw een belangrijke bijdrage kan leveren aan de insectensterfte en dat deze vorm van vergiftiging tot nu toe over het hoofd is gezien. Dicke: „We moeten nog kijken wat de precieze consequenties zijn; dit onderzoek is vooral bedoeld om aan te tonen dat honingdauw neonicotinoïden kan bevatten. Het is goed dat de EU al drie veelvoorkomende neonicotinoïden in de ban heeft gedaan, maar we zouden nog meer oog mogen krijgen voor de nuttige insecten in onze omgeving. We hebben zoveel vrienden in de natuur – sommige sluipwespsoorten vallen bijvoorbeeld eieren van de eikenprocessemot aan – maar we maken ze het leven zuur.”