Foto Robin Utrecht

Interview

Ineens werd ‘de Hollängjer’ met de nek aangekeken

Interview | Wim van den Haak Drie jaar duurde het voordat er een oordeel lag over de uit de hand gelopen botsing tussen planoloog Wim van den Haak en zijn voormalig werkgever, het waterschap Limburg. Voornaamste reden: interne twisten in het Huis voor Klokkenluiders. „Misstanden worden onder tafel geveegd en carrières geknakt.”

Met een kort en zakelijk persbericht eindigde voor Wim van den Haak op vrijdagmiddag 13 juli om 13.56 uur zijn negen jaar durende strijd. „Geen verband gevonden tussen ontslag medewerker waterschap en melding over vermoeden van misstand”, aldus een mail aan de media. Afzender: het in Utrecht gevestigde Huis voor Klokkenluiders.

Drie jaar duurde het voordat er een oordeel lag over de uit de hand gelopen botsing tussen de inmiddels 63-jarige planoloog en zijn oud-werkgever, het waterschap Roer en Overmaas (inmiddels: waterschap Limburg). Voornaamste reden: interne twisten bij de klokkenluidersorganisatie, die sinds de opening medio 2016 pas drie onderzoeken wist af te ronden.

Na een vlekkeloze carrière stapte Van den Haak in 2010 over van Rijkswaterstaat – waar hij onder meer werkte aan de grote Maaswerken – naar waterschap Roer en Overmaas. Hij wilde voor een kleinere organisatie gaan werken, woonde in de buurt en kon voortaan op de fiets naar zijn werk.

Lang duurde het plezier niet. Eind 2010 ontdekte hij dat het waterschap een eigen ‘methode’ had ontwikkeld voor het regelen van vergunningen. Het papierwerk voor klussen die het waterschap zelf uitvoerde werd op het hoofdkantoor in Sittard stilzwijgend en met terugwerkende kracht in orde gemaakt. Terwijl overheidsinstanties volgens de wet voorafgaand aan een project een openbare en officiële vergunningsprocedure moeten doorlopen, net als burgers en bedrijven.

De truc van Roer en Overmaas is tegen de regels, oordeelde hij. En hij schreef in een nota dat het waterschap voortaan anders met vergunningen moest omgaan. Het enthousiasme in Sittard over ‘de Hollängjer’ – een van de weinige niet-Limburgers in de organisatie – verdween daarop als sneeuw voor de zon. Hij botste met collega’s van hoog tot laag in de organisatie, werd met de nek aangekeken, kreeg een arbeidsconflict en vloeide nog geen drie jaar na zijn aantreden in maart 2013 af.

Ondertussen was hij officieel klokkenluider geworden, maar die status hielp hem weinig. De bescherming van klokkenluiders is een wassen neus, vindt hij inmiddels. Van den Haak: „In plaats van werknemers die een melding doen te helpen en te beschermen, worden werkgevers beschermd, misstanden onder de tafel geveegd en carrières geknakt.”

Zo verging het althans Van den Haak. Hij klopte sinds 2010 aan bij zes verschillende klokkenluiderscommissies. Van de ene kreeg hij ten dele gelijk, een andere achtte zich niet bevoegd, een derde schoof zijn melding door naar de volgende. Net zo lang totdat hij bij een eindstation kwam: het Huis voor Klokkenluiders, een plek voor mensen zoals hij – dacht hij.

Maar na het lezen van het onderzoeksrapport dat het Huis over zijn situatie had gemaakt, besefte hij dat de secretaris-directeur van het waterschap op 6 januari 2011 gelijk zou krijgen. „Als je het formeel wilt, dan kan er aan het einde van de rit maar één verliezer zijn en dat is Wim van den Haak”, zei de man indertijd. „En precies zo is het gegaan,” zegt Van den Haak meer dan 8 jaar later.

Zomer 2016 Opening Huis voor Klokkenluiders

Na zijn ontslag bij het waterschap en de juridische procedures die daarop volgden, boekte Wim van den Haak vooral kleine succesjes. „De Ombudsman schreef dat het waterschap haar klokkenluidersregeling niet goed had uitgevoerd en dat ik geen nadeel mocht ondervinden van mijn melding. Gedeputeerde Staten in Limburg en de minister namen afstand van het achteraf vergunning verlenen. Maar niemand wilde de vingers branden aan een hard oordeel, noch over de vergunningen, noch over hoe er met mij was omgegaan. En mijn ontslag – dat bleef gewoon staan.”

Uiteindelijk leverde hij op 6 juli 2016, vijf dagen na de opening, zijn dossier in bij het Huis voor Klokkenluiders. Hij was een van de eerste klanten van de ambitieuze nieuwe organisatie, die klokkenluiders zou helpen en beschermen.

Het begin was veelbelovend. Op 31 augustus 2016 had Van den Haak zijn eerste (en tevens enige) gesprek met onderzoekers van het Huis in Utrecht. Tweeënhalf uur duurde het, met draaiende bandrecorder. In een „open en hartelijke” setting legde hij zijn klokkenluiderszaak uit, overhandigde documenten en deed suggesties van mensen met wie de onderzoekers zouden kunnen praten. Zoals de bedrijfsarts, die de cultuur bij het waterschap goed kende.

Tweeënhalve maand later kreeg Van den Haak bericht. Zijn melding was ontvankelijk en het Huis zou een officieel onderzoek starten. De vraag die de onderzoekers wilden beantwoorden was of hij benadeeld was „omdat hij medio september 2010 een notitie voor zijn werkgever had opgesteld, waarin hij stelde dat er een einde zou moeten komen aan de praktijk van (eigen) vergunningverlening achteraf”.

Het ging dus om de bejegening. Hoe het zat met de vergunningen, daar zou het Huis zich niet over buigen. Wel kreeg hij een adviseur toegewezen, een toegewijde voormalig advocaat die als medewerker van het Huis klokkenluiders bijstond en bij wie hij „voor raad en daad terecht kon.”

Zomer 2018 Conceptfeitenrelaas eindelijk gereed

Een jaar lang lag de zaak Van den Haak in de ijskast. Hij mailde, hij belde, er werden planningen gemaakt, deadlines gemist en weer doorgeschoven – en ondertussen las hij het ene na het andere bericht over de chaos bij het Huis in de media. Er waren bestuurswisselingen, interne conflicten, kritische rapporten.

Lees ook ‘Sommige klokkenluiders hebben overtrokken verwachtingen’

Tot de zomer van 2018 – toen kreeg hij bericht. De onderzoekers van het Huis hadden in de maanden daarvoor met medewerkers van het Waterschap gesproken. Van de getuigen die hij had aangedragen, was er niet één gehoord. De bedrijfsarts was benaderd, maar wilde niet – vanwege zijn beroepsgeheim, zei hij.

Op basis van de stukken, zijn verklaring uit 2016 en het dozijn gesprekken was er een conceptfeitenrelaas opgesteld. Dat mocht hij inzien op een warme zomerdag in 2018, samen met de verklaringen die zijn oud-collega’s over hem hadden afgelegd. Er was een streng protocol: als hij van tevoren een geheimhoudingsverklaring tekende, mocht hij één dag lang de verklaringen en het concept bekijken, op een laptop die bij het Huis in Utrecht in een kamertje stond. Zijn telefoon moest hij inleveren en de stukken kreeg hij niet mee.

Er was één troost. De adviseur – met wie hij in de twee jaar van uitstel een goede band had opgebouwd – ging met hem mee, om het werk van zijn collega’s van de onderzoeksafdeling van het Huis te bekijken.

Van den Haak: „Ik heb niet alles kunnen lezen, zo veel was het. Wel heb ik veel aantekeningen gemaakt, van de halve waarheden en inconsistenties in de verklaringen van mijn oud-collega’s. Ik vermoed dat ze hun verhalen op elkaar hebben afgestemd, want in grote lijnen vertelden zij allemaal hetzelfde. Dat ik niets begreep van hoe het waterschap werkte en daarom weg moest, en dat dit niets te maken had met mijn melding over de verkeerd verleende vergunningen.”

Met de meeste klokkenluiders die ik ken gaat het slecht

Wim van den Haak, klokkenluider

Halverwege de dag gebeurde er nog iets geks. Opeens stond Wilbert Tomesen, de nieuwe voorzitter van het Huis, in de leeskamer – waar Van den Haak samen met zijn adviseur over de laptop gebogen zat. Tomesen vroeg de adviseur dwingend om mee komen. Van den Haak hoorde ze gesmoord overleggen op de gang, de adviseur kwam niet meer terug. Pas aan het eind van de dag glipte de man nog even bij hem naar binnen.

„Hij had van Tomesen te horen gekregen dat wij niet langer samen het rapport mochten bekijken”, zegt Van den Haak. „Dat het mijn zaak was, en niet die van de adviseur. Bizar was dat. Die beste man heeft me twee jaar lang namens het Huis enorm geholpen en bijgestaan en opeens mocht dat niet meer. Terwijl deze dag voor mij als klokkenluider cruciaal was. En het is nog gekker: want tot op de dag van vandaag heeft niemand van het Huis de moeite genomen mij uit te leggen waarom hij mij niet langer mocht helpen.”

Zomer 2019 Eindrapport

In februari 2019 ontving Van den Haak het conceptrapport. De inhoud, kort gezegd: het was en bleef Wim tegen de rest. Tegenover zijn verhaal staan verklaringen van circa tien oud-collega’s die het Huis verteld hebben dat hij de bron van alle problemen was, en maar niet ophield over die vergunningen. „Eensgezind hebben mijn oud-collega’s verklaard dat ik de manier waarop ze het in Limburg regelden niet snapte en dat mijn positie daardoor onhoudbaar werd.”

De onderzoekers gaan daarin mee. Er is bij het waterschap weliswaar „onvriendelijk en onzorgvuldig gecommuniceerd” schrijven zij, maar „de benadeling van verzoeker is niet het gevolg van zijn melding.”

Van den Haak recht nog één keer de rug. In zijn uppie – de adviseur namens het Huis die hem in de jaren daarvoor zo geholpen heeft is na de aanvaring met de voorzitter in de leeszaal geschorst.

Als dit het eindoordeel van het Huis is, dan eindigt hier mijn strijd, beseft hij. Hij stuurt lange, indringende mails naar het Huis, vol kritiek op de vraagstelling en onderzoeksmethodiek. Waarom zijn er zo weinig kritische vragen gesteld aan de getuigen van het waterschap? Waarom moest het allemaal zo lang duren? Waarom voelt het alsof hij zich als klokkenluider moet verdedigen tegen aantijgingen, en niet het waterschap?

Maar het mag niet baten. Op 13 juli oordeelt het Huis dat er geen verband bestaat tussen zijn melding en zijn ontslag. Nog meer klagen is zinloos, krijgt hij te horen. Een bezwaar of beroep tegen het eindrapport zal niet-ontvankelijk worden verklaard, mailt een bestuurslid hem kort na publicatie.

Epiloog

Ondanks het eindoordeel van het Huis voel ik me prima, zegt Wim van den Haak een week na publicatie. „Wat dat betreft ben ik atypisch, want met de meeste klokkenluiders die ik ken gaat het slecht, zowel financieel als persoonlijk. Ik heb na jaren van solliciteren op mijn 63ste weer een vaste aanstelling, en ik prijs me gelukkig met mijn kinderen, kleinkinderen en de steun van mijn vrouw. Ze vindt nog steeds van alles van dat klokkenluiden, maar we hebben het gered – samen.”

Maar één ding zal hij altijd met zich meedragen, en dat is een diep wantrouwen jegens de goede bedoelingen van bestuurders en politici die klokkenluiders omarmen. „Klokkenluiders zijn helden, zeggen ze, maar in praktijk werkt het precies andersom. Nederland is voor de meeste mensen een mooi en redelijk land, maar o wee als je je tegen de meerderheid keert. Ik had nooit voor mogelijk gehouden dat het systeem zo onverbiddelijk is voor een goedwillende en eerlijke man als ik.”

Als hij het over mocht doen, had hij de zaak „aardiger en subtieler” gebracht, zegt Van den Haak. „Dan had ik niet direct al mijn collega’s over mij heen gekregen. Dat kwam ook door de dynamiek van het klokkenluiden: ik kwam al snel helemaal alleen te staan. Maar aan de andere kant: ik weet zeker dat ik opnieuw de foute vergunningsverlening had aangekaart. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar.”