In Haifa kunnen Israëlische Palestijnen zichzelf zijn

Jongeren Haifa geldt steeds meer als ‘Arabisch Tel Aviv’ vanwege het vrije uitgaansleven. Maar hoe tolerant ook, Jood en Arabier mengen er niet.

Onder het gewelfde dak bewegen donkere schimmen op stampende technomuziek. In een tweede zaal zet dj Yasmine Eve haar koptelefoon op. Een man in slipje schikt zijn bodywarmer van piepschuimen bakstenen. Een luid keffend chihuahua-achtig hondje springt op een rode sofa. Potige deurwachten houden een groepje jongens op gympen buiten de deur.

Nachtclub Kabareet zou zo in Tel Aviv of Amsterdam kunnen staan. Met één belangrijk verschil: het publiek is hier merendeels Palestijns. Haifa is de laatste jaren hét culturele centrum van Palestijns Israël geworden, zoals Jaffa dat vroeger was. Haifa wordt ‘Arabisch Tel Aviv’ genoemd vanwege de vele Palestijnse evenementen en uitgaansgelegenheden.

Het eerste onafhankelijke Palestijnse filmfestival ontstond hier, er zijn jamsessies en illegale technoparties. Jonge en progressieve Palestijnen voelen zich meer thuis dan in traditionele Arabische steden, maar ook meer dan in andere Israëlische steden. „In Tel Aviv hoor ik: hé, je ziet er niet uit als Arabier, in Nazareth staren ze naar mijn piercing.”

In het Israël van binnen de grenzen van voor 1967 wonen bijna twee miljoen Arabische Israëliërs, ongeveer eenvijfde van de Israëlische bevolking. Het grootste deel van hen woont in het noorden of in een regio in centraal Israël met veel Palestijnse dorpjes die ‘de driehoek’ wordt genoemd. In Haifa zijn Palestijnse Israëliërs een minderheid van ongeveer 10 procent. Palestijnen in Haifa zijn gemiddeld rijker en hoger opgeleid dan de Palestijnse gemeenschap binnen Israël in haar geheel. Veel jongeren komen naar Haifa om te studeren aan een van de universiteiten.

Clubs en cafés

De clubs en cafés van de oude havenstad zijn tegenwoordig voor veel liberale Palestijnse jongeren de enige plek waar ze zichzelf kunnen zijn. Sommigen komen uit kleine dorpjes uit het noorden, anderen hebben in New York of Berlijn gestudeerd.

Amjad Issawi (24) groeide op in Nazareth. „Het is de grootste Arabische stad in Israël, er is Arabische cultuur, maar het is ook heel ouderwets”, zegt hij. „Toen ik mijn eerste piercing had, staarde iedereen me aan. Hier let niemand erop hoe je eruit ziet.” Ook dj Yasmine Eve Kheshboun (31) komt uit Nazareth. „Ik heb geprobeerd daar ook een club met lokale artiesten op te richten, maar ik werd met de nek aangekeken”, vertelt ze. Na twee jaar gaf ze het op; de nieuwe eigenaar heeft de club omgetoverd tot een traditioneel Arabisch restaurant.

Haifa staat bekend om zijn relatieve gay-vriendelijkheid. Er zijn twee NGO’s gevestigd die Palestijnse lgbt’s steunen, in de hippe cafés zijn lang niet alle stelletjes man plus vrouw. Maar het gaat niet om een aparte gay scene zoals in Tel Aviv, zegt Ayed Fadel (32), een van de drie oprichters van nachtclub Kabareet. „Het gaat er juist om dat het niet uitmaakt, bij ons kan iedereen zich veilig voelen, als queer, als Palestijn, als jongen, als meisje. Er zijn geen grenzen.” Voor hem is de mix die hij op de dansvloer ziet een wezenlijk onderdeel van zijn streven naar een eigen Palestijnse identiteit: „Je kunt niet zeggen: ‘Free Palestine’, als je niet iedereen de vrijheid gunt.”

Olijfbomen

Café Fattoush op de Ben Gurion-avenue lijkt op het eerste gezicht ook een ‘gewoon’ Arabisch restaurant. Op het terras onder de olijfbomen zitten toeristen, Palestijnen en Israëliërs aan de hummus en salades. Toch is dit de plek waar de culturele revolutie van Haifa een jaar of twintig geleden begon. Het was de tijd van de tweede intifada, de Palestijnse opstand tussen 2000 en 2005, vertelt journaliste Nahed Dirbas (46), geboren en getogen Haifaanse.

„De spanningen namen toe, steeds meer Israëlische cafés weigerden Arabieren. Dus ging iedereen hierheen, het enige Arabische café.” Toen het culturele café in 1998 opende, was het een schok voor de Palestijnse gemeenschap ter plaatse: mannen en vrouwen kwamen openlijk samen en er werd alcohol gedronken. In de loop der tijd kwamen er steeds meer cafés, festivals en evenementen, maar Fattoush is nog steeds een van de hotspots; het café heeft een boek- en kunstwinkeltje, er worden concerten en voordrachten georganiseerd. Inmiddels is een tweede vestiging geopend.

Volgens sommigen is Haifa als cultureel centrum een revival van hoe het voor de stichting van de staat Israël was. „Umm Kalthoum, de beroemde Egyptische zangeres, heeft hier nog opgetreden”, vertelt Nahed. „Het culturele leven was hier en in Jaffa.” Het merendeel van de Arabieren die vóór 1948 in Haifa woonden, ontvluchtte de stad tijdens de Israëlische onafhankelijkheidsstrijd. Naheds grootvader was een van de weinigen die daarna terugkeerden, al was hij zijn land kwijt; de meeste Palestijnen die nu in Haifa wonen, komen uit andere plaatsen.

Al wordt er nog zo gedanst, gedronken en gefeest, de jonge en hippe Palestijnen die de clubs en cafés bevolken zijn zich zeer bewust van hun politieke positie. Ze relativeren de tolerantie waar Haifa om bekend staat.

Coëxistentieclubjes

Ayed Fadel, in een wit ‘Palestine’ T-shirt, realiseerde zich naar eigen zeggen op zijn achttiende dat „het leven niet roze is”. „Israëlische discotheken weigerden ons, de Israëlische vrienden met wie ik in coëxistentie-clubjes zat, gingen het leger in.”

Dat er in hun stad minder problemen zijn dan elders, betekent niet dat er veel gemengd wordt, zegt ook journaliste Nahed. „Coëxistentie betekent hier: er is een bestaan voor Joden, en er is een bestaan voor Palestijnen. Geen bestaan samen. De Joden wonen op de berg, de Palestijnen aan zee.” Ze vertelt dat ze zelfs eigen namen hebben voor dezelfde straten. „Wat zij Ben Gurion-avenue noemen, heet voor ons nog steeds Carmel-avenue. Of naar Abu Nuwas, naar de beroemde Arabische dichter die homo-erotische poëzie schreef – omdat er zoveel gays zijn hier.”

Bij Masada Café staat de naam in het Arabisch en Hebreeuws op de gevel, op de wc-deur hangen Arabische oproepen om de verkiezingen te boycotten naast Hebreeuwse slogans tegen de bezetting. Binnen klinkt Russisch, Arabisch, Hebreeuws en Engels door elkaar.

„Hier maakt het niet uit wat je bent”, zegt tattoo-artist Liron Lazaresko (39) – lange bruin-zwarte dreadlocks, stuurse blik. Hoewel hij naar eigen zeggen „nooit rechts” is geweest, leerde hij pas van een Palestijnse medewerker van dit café hoe racisme overal in Israël subtiel aanwezig is.

Hij spreekt Amjad aan, bij wie hij twee tatoeages heeft gezet: „Hé, jou is toch ook wel eens gezegd dat je er niet Arabisch uitziet?” Ja, zegt de jonge Palestijn uit Nazareth. „Dan zei ik: hoe moet ik er dan uitzien, als shoarma?”

Palestijnse Israëliër zijn is soms moeilijk uit te leggen. Amjad woonde ruim een jaar in Berlijn. „Daar vragen ze: waar kom je vandaan? Ik ben Palestijn. Woon je dan in Palestina? Nee, in Israël. Oh, dus je bent Israëliër? Ehhh… Het is een groot intern conflict.”

Hoewel Palestijnen in Haifa zich verbonden voelen met Palestijnen elders, vond Kabareet-oprichter Ayed Fadel de Westelijke Jordaanoever lange tijd ‘heel ver weg’. „Het was een andere wereld”, zegt hij. „De eerste keer dat ik in Ramallah optrad, was een droom.” Nu probeert hij via de muziek de banden aan te halen met gelijkgestemden in de Palestijnse gebieden. „Het is één underground scene geworden.”

Met de culturele evenementen willen hij en anderen de Palestijnse identiteit laten zien en versterken. „Wij kijken niet alleen maar naar het verleden, zoals onze ouders”, zegt Ayed. „Wij zijn hier en nu, en we eisen onze plek op.”