Recensie

Recensie Boeken

Hoe houdt een heer van stand zich staande?

Thomas Verbogt In zijn nieuwe verhalenbundel – anekdotische columns – komt Verbogt nauwelijks toe aan een intieme sfeer, maar zijn interesse voor de gecultiveerde heer laat het niet afweten.

De personages van Thomas Verbogt – die regelmatig Thomas Verbogt heten – zijn doorgewinterde struikelaars. Lang liepen ze niet gelijk op met de groep, al vroeg viel er iets voor of werd ze iets toegefluisterd dat ze zo van streek bracht dat ze er eerst maar eens flink over gingen zitten peinzen op een kei in de berm. Een enkel woord is daarvoor genoeg. ‘Varkenshaasje’ bijvoorbeeld. Wie dat als kind voor het eerst hoort knoopt het gewoon in z’n oren, maar niet de Verbogt-mens. ‘Hij dacht dat het de naam van een dier was, wat een kip ook was. Of een schol. Hij kon zich geen voorstelling van een varkenshaasje maken’, luidt het in een van de verhalen van Verbogts nieuwe bundel Olifant van zeep.

Achter de groep aan sjokken dus maar, woorden wikkend en voorvallen wegend. Verbogt (1952) is hiermee als schrijver natuurlijk niet uniek, het verschil zit hem in de uitwerking van die positie. In zijn in 2009 uitgegeven dagboeken ondergaat Leonard Nolens dat achterblijverslot bijvoorbeeld puffend en steunend: waar is het toch allemaal misgegaan?

Verbogt bevindt zich meer aan het andere einde van het spectrum. Hij kijkt gefascineerd terug op gemiste afslagen en wil, eerder verlicht dan sikkeneurig, doordringen tot die momenten waarvan hij destijds nog niet bevroedde dat ze bepalend waren. Die houding resulteerde de afgelopen paar jaar in twee erg mooie romans, Als de winter voorbij is en Hoe alles moest beginnen.

Verbogts Olifant van zeep steekt hier wat flets bij af, de inzet is duidelijk een stuk minder groot. Misschien heeft het met de beperkte lengte van de verhalen te maken: 18 stuks, verdeeld over krap 130 pagina’s tekst. Vaak zijn het meer anekdotische columns die je leest. Een rumoerig treinreisje in de stiltecoupé, een harinkie happen in Bergen, een kleinzoon die de verteller Thomasverbogt noemt: het peilloodje ligt al snel op de bodem en aan het creëren van een intieme atmosfeer, toch een van zijn grootste talenten, komt Verbogt bijna niet toe.

Wél demonstreert Verbogt in dat verhaal over die kleinzoon wat voor- en wat achteraan in een opsomming moet staan om effect te genereren. ‘Tobias vraagt of Kuifje in Tibet altijd naar zijn vriend zou blijven zoeken, ook als het heel lang duurde, hij vraagt of ik een poes wil kleien met oogjes, en een kinderolifant die lacht, hij vraagt hoe het komt dat een warme dag warm is, wanneer we weer aan zee zijn, en of ik nooit doodga.’

Het titelverhaal is het best. Hierin komt zijn interesse voor de gecultiveerde heer die zich staande moet zien te houden in een platte, schreeuwerige cultuur het best tot uiting. Johan Winters is een essayist die zijn eer ontleent aan een wekelijkse beschouwing in een krant. Hij ontleent er zijn status aan, maar hij zet deze op het spel als hij tot de winnaar wordt uitgeroepen van een nogal raadselachtige, op straat georganiseerde wedstrijd. Als hij zijn beloning voor het oog van een tv-camera komt innen staat hij eigenlijk gewoon voor aap: hij mag een grote, uit zeep opgetrokken olifant mee naar huis nemen. Achterblijvers en randfiguren moeten niet opeens de wedstrijd willen winnen.