Foto Annabel Oosteweeghel

‘Omdat je het zo lief zingt is ‘bef me’ een statement van kracht’

Zomeravondgesprek Thomas Acda is al twintig jaar artiest, Merel Baldé nog maar net. Toch hebben ze al veel dezelfde ervaringen. En allebei zijn ze geboren performers. „Je moet er alles voor over hebben, bijna genadeloos.”

Om half tien ’s avonds krijgen we het toetje: mousse van witte chocola, passievruchtenespuma en een macaron. „Dat klinkt als een opsomming van alles wat ik vanaf morgen niet meer mag”, zegt Thomas Acda.

Tegenover hem zit Merel Baldé.

„Ik hou heel erg van toetjes”, zegt ze.

„Ik ook, maar…” Hij neemt twee hapjes, schuift het toetje van zich af en leunt achterover. „Je moet keuzes maken.”

„Dan maak ik gebruik van de gelegenheid. Heb je nog tips? Dat je denkt: die meid staat aan het begin van haar carrière, dit wil ik haar nog graag meegeven.”

„Ja! Duizenden!”

„Nou, kom maar door.”

Merel Baldé (28) en Thomas Acda (52) kennen elkaar sinds vijf uur vanmiddag. Merel is met de auto meegereden uit Amsterdam, Thomas kwam op de fiets naar Hotel De Witte Dame in Abcoude. Zijn helm en de nog onuitgepakte fietstas liggen tijdens het diner op een lege tafel achter ons, het mouwloze jasje met de opgestikte zakken – „ik draag dit soort jasjes al twintig jaar, maar nu zijn ze hip” – heeft hij voor de foto’s verwisseld voor een kreukloos poloshirt. Vlak voor het eten heeft hij het fietsshirt weer aangetrokken: „Dit zit veel lekkerder. En we zijn nu toch weer onder ons.”

Thomas Acda werd in 1998 in één klap beroemd, ‘Niet of nooit geweest’ van Acda & De Munnik stond wekenlang op één. Merel Baldé – „ik ben niet echt heel beroemd volgens mij hoor, maar ik zit er nu wel middenin ja, dat je herkend wordt en zo” – overkwam het in de zomer van 2018. Als Merol brak ze door met het liedje ‘Lekker met de meiden’, later gevolgd door ‘Kerst met de Fam’ en ‘Hou je bek en bef me’.

Dat is het idee achter dit dubbelinterview: wat doet het met je als je opeens beroemd wordt? Hoe ga je daarmee om? Wat leer je, wat gaat er fout?

En natuurlijk: het gaat ook over vroeger en nu, daar begint het gesprek mee. Merel tegen Thomas, wanneer hij bij ons op het terras is gaan zitten en een pilsje heeft besteld: „Hoe ging dat toen? Was je op tv?”

„Twee miljoen kijkers. Ja, belachelijk.” Op 28 augustus 1998 traden Thomas Acda en Paul de Munnik op tijdens de opening van de Uitmarkt in Amsterdam. Die werd dat jaar voor het eerst live uitgezonden.

Hij vertelt dat ‘Niet of nooit geweest’ een lied was uit hun theatershow, eigenlijk wilden ze er niet eens een plaat van maken. Een cd was het, trouwens. „Ik zat nog in de fase dat ik het heel jammer vond dat het een cd was. Ik wilde liever zo’n grote lp, ik was echt teleurgesteld in dat dingetje.”

‘Niet of Nooit Geweest’ van Acda & De Munnik.

„Wat grappig”, zegt Merel. „Dus jullie hadden een platenmaatschappij?”

„Ja joh, het was een heel andere tijd. Ik weet ook helemaal niet hoe dat bij jullie is. Ik heb het met mijn zoon erover gehad, over streamen en zo…” Thomas Acda heeft één zoon, Finn van 19, en uit zijn tweede huwelijk een dochtertje van 8, Lucy. Finn begint na de zomer met een opleiding tot producer.

„Ik heb geen cd. En ook geen platenmaatschappij.”

„Waarom niet? Waarom heb je geen cd?”

„Omdat… Het kost heel veel geld om te laten maken. En iedereen luistert toch online.”

Thomas Acda had zich er al bij neergelegd – „het wordt toch de oude tegen de nieuwe, dat is nu eenmaal zo” – maar meer dan dat er een generatiekloof gaapt, blijken ze vooral veel ervaringen te delen. Zo waren ze beiden geboren performers. Merel: „Ik was altijd iets aan het maken, aan het zingen of dansen. Een aandachtskindje ook wel.” Thomas: „Ik wou elke week iets anders worden, tot mijn vader zei: ‘Word dan acteur, dan kun je elke week iets anders spélen’.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Ze deden allebei de Kleinkunstacademie in Amsterdam, blijken veel dezelfde mensen te kennen uit het wereldje, herkennen ook de manier waarop ze liedjes maken, beiden schrijven zowel de tekst als de muziek. Alleen hun woordgebruik verschilt soms. Merel heeft het over ‘liedjes’, Thomas zegt consequent ‘lied’. En zij noemt catchphrase wat voor hem een hook is, een haakje: „Een repeterende zin die de portee van het lied draagt, het liefst in beeldende vorm.”

Thomas: „Vroeger had ik boekjes bij me voor als ik iets bedacht, later tikte ik het in op de telefoon.”

„En had je dan ook al een melodie?”

„Ja, maar met die eerste mobiele telefoons kon je nog niet opnemen. Dan belde ik naar huis, naar het antwoordapparaat. Daar zong ik het dan op in. Ja, mevrouw Merel: andere tijden.”

Merel kan zich boos maken over waar liedjes tegenwoordig over gaan. „Wéér over dat je zoveel verdient, serieus? Ik heb nu een liedje over een lettertype dat ik mooi vind, Helvetica Neue. En over dat vlot bij de Titanic, weet je wel, waar Kate op lag. Dan denk ik: daar was echt nog wel plek voor Jack.” Ze straalt terwijl ze het vertelt. „Ik kan schrijven over alles wat ik in het leven zie. Dat is zó’n vrijheid.”

Maar, vragen we, hoe wordt zo’n observatie een goed liedje?

Merel: „Er moet een conflict zijn, een tweede laag. Zoals in ‘Lekker met de meiden’: is dat nou ironie of niet? Ik ben zelf zo’n meid, maar ik vind ze ook vreselijk. Of een liefdesliedje met de zin: ‘Ik wilde een liefdesliedje over je schrijven, maar jij had steeds een stijve’. Dat klinkt dan weer plat, maar er zit stiekem ook een gedachte in: als je in het moment bent, kun je niet reflecteren.”

Eigenlijk zijn er geen regels voor het schrijven van liedjes, vinden ze allebei, het is vooral een kwestie van smaak.

Merel: „Smaak is ook: waarom zing je friet als je ook patat kunt zingen? Dat is smaak in woordgevoel, dat je denkt: sommige woorden vind ik gewoon plat.”

„Zegt de vrouw die ‘bef me’ in haar nummer heeft geschreven.”

„Maar ik vind dus… Omdat het allitereert en klinkerrijm heeft… Ik vind het gewoon mooi.”

„Ik vind het ook mooi. En ook omdat je het zo lief zingt. Het is een statement van kracht.”

„Als ik het schreeuwend had gedaan was het vervelend geweest.”

„Ja, dan was het ordinair. Nu is het sexy.”

Tijdens het gesprek komen als vanzelf de onderwerpen langs die hen binden sinds ze doorbraken: liedjes maken natuurlijk, maar ook ambitie hebben en volhouden, in het middelpunt staan en daarmee omgaan, het verschil tussen ijdelheid en arrogantie.

Thomas Acda praat het meest, hij heeft met zijn verleden ook de meeste voorbeelden en anekdotes. Bijvoorbeeld over die keer dat hij op de academie kwaad de les uitliep, toen de docent en hij het niet eens waren over een liedtekst. „Het haakje was: ‘En ik weet wat ik zo vaak vergeet: je kunt alleen van iets genieten als het ook voorbij kan gaan.’ Niet gek toch, voor een beginnend liedschrijver? Maar die docent zei: nee, dat kan niet, je kunt alleen van iets genieten als je weet dat het niet voorbij zal gaan.” Op de gang kwam hij de directeur tegen, dezelfde dag nog kreeg hij een andere tekstdocent.

Maar het gaat niet alleen over hemzelf, hij weet ook veel van andere artiesten. Over Frank Sinatra, die rookte en dronk maar voordat hij on tour ging rigoureus trainde: „Ging hij aan de rand van het zwembad hangen en duwde hij zichzelf onder water. Bleef-ie twee minuten, twee minuut dertig onder water. Als zijn longen dan weer open en schoon waren, kon zijn fysiek de timing niet meer bepalen. Die bepaalde hij vanaf dat moment weer zelf.” Deze anekdote vertelt hij bij het toetje, als één van zijn tips: „Je moet er alles voor over hebben, bijna genadeloos. Alles wat je moet doen is: alles doen.”

Wat vooral opvalt in de loop van de avond: ze praten als oude vrienden, stellen elkaar vragen en antwoorden openhartig. Merel vertelt over haar nieuwe vriend, „sinds twee weken, niemand weet het nog want ik wilde het graag privé houden”.

„Heeft hij verkering gevraagd?”

„Ja. Jazeker.”

„Moest ik ook doen. Ik wil dat je officieel verkering aan me vraagt, zei ze.”

„Dat wil je ook gewoon graag. In sommige dingen ben ik zo’n schijterd, ik zou het hem nooit durven vragen. Hij zou nee kunnen zeggen.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Gêne: Merel begint er al bij het voorgerecht over. Zij is sowieso vaak degene die als eerste een onderwerp aansnijdt: ze wil adviezen, ze wil horen hoe het was, ze wil het allemaal weten.

Merel: „Toen jij beroemd werd, ging het er toen ook de hele tijd over? Dat iedereen het op familiefeestjes heeft over jou en je muziek? Ik merkte met de kerst bijvoorbeeld… Ik schaam me dan soms, dat ik denk… Dan ga ik maar zelf vragen stellen, want eigenlijk wil ik het er niet meer over hebben.”

„Ja, dat is lastig. Maar, gebiedt de eerlijkheid ook te zeggen: in het begin is het heel leuk. Paul en ik hebben er echt van genoten. Ik weet nog dat ik naar hem toeliep en zei: ‘Ik heb niks te vertellen, maar ik vind het zo leuk dat als ik met jou praat, iedereen naar ons kijkt. En nu moet je even lachen, hahahahaha.’ Na een half jaar waren we het zat. Ook onszelf waren we zat.”

„Het voelt zo ijdel.”

„Dat bedoel ik met lastig. Ik ging ook vragen stellen, net als jij: ‘Hoe is het nou met jou?’ ‘Goed, ik heb laatst nog je plaat gekocht.’ Dan gaat het toch weer over jou. En je weet dat je daar op een gegeven moment op afgerekend wordt. Dat iemand zegt: hij praat wel erg veel over zichzelf.”

„Jullie waren samen, hè. Dat lijkt me wel fijn, ik denk wel eens: ik maak zoveel mee op een dag en er is niemand die weet hoe dat is.” Ze vertelt dat ze nu een manager heeft die ze elke dag spreekt, dat scheelt. Ik heb, zegt ze, „niet zoveel vrienden die doen wat ik doe”, hen bellen over haar optredens zou weer die schaamte oproepen.

„Maar je vrienden worden toch de mensen met wie je werkt?”

„Ik merk dat ik het steeds leuker vind om na de show nog wat te gaan drinken met mijn muzikant, ja. Iemand die weet wat je doormaakt.”

„Je gaat onvermijdelijk vrienden verliezen. Maar je krijgt ook weer nieuwe.” Het wordt nog een tip bij het toetje: „Op een gegeven moment zeg je tegen iemand: hé, jij was jarig hè, vorige maand. Valt nog mee, een maand te laat. Verzamel cadeautjes, dat je altijd wat uit een la kunt trekken.”

„Kijk!”

„En niet al te vaak je eigen cd.”

„Die heb ik toch niet.”

„Ik zal je een paar van mij geven.”

Een paar weken voor ons gesprek was Merel Baldé een van de bezoekers van het driedaagse muziekfestival Down The Rabbit Hole. Ze trad er onverwacht op als Merol, het optreden was niet geprogrammeerd. „Wat had je daar nou geflikt?”, vraagt Thomas Acda. „Je zat in het publiek en toen…”

„Ze wilden een voetbalwedstrijd gaan uitzenden en ik dacht: ja hállo, kan ik dan niet een liedje komen zingen? Toen heb ik mijn manager gebeld en die heeft het een en ander in werking gezet. Dus op zondag werd ik backstage gehaald.”

‘Lekker met de Meiden’ van Merol.

„Je technicus was mee, neem ik aan?”

„Nee, niemand was mee. Ik was gewoon een bezoeker, ik had gefeest tot vijf uur en ik sliep in een tentje. Mijn manager is nog op en neer gegaan voor een usb-stick met de muziek van mijn liedjes.”

„Je hebt niet gesoundcheckt?”

„Jawel, naast het podium.”

„Cool.”

„Ik was wel bang hoor. Ik dacht, dan kom ik op en dan denken ze: húh, wat is dit, we willen bier en we willen voetbal. Maar gelukkig gebeurde dat niet. Nou ja, ik ben ook niet naïef natuurlijk. Ik weet ook dat er op zo’n festival genoeg mensen zijn die mijn liedjes kennen.”

„Stoer hoor, echt goed gedaan. Goed bedacht, goed uitgevoerd. Je grijpt een kans die voor je carrière van belang is, die verder niemand schaadt maar die voor jou een durfal-stap is. Je kans zien en hem pakken, dat is de goede ambitie.”

Merel vertelt dat ze zich elk optreden wil kunnen herinneren: als een optreden voor haarzelf onvergetelijk is, voelt het publiek dat ook zo. „Die herinnering kan een opmerking zijn. Iets wat ik deed op het podium. Of een outfit, dat kan ook.” Thomas: „Kleren zijn erg belangrijk: niet hoe je er precies uitziet, maar wel dat je erover hebt nagedacht. Wij hadden het imago van twee jongens in een spijkerbroek met een t-shirt. Maar dat waren gestreken broeken en gestreken shirts. En ook gestreken sokken en gestreken onderbroeken trouwens.”

Al dat strijken deed hij zelf, zegt hij: een kwestie van je concentreren op de voorstelling. „Als je nadenkt over wat je doet, ben je de mensen een stapje voor. Dan zien ze wanneer jij opkomt, iemand die weet wat hij gaat doen.” Vandaar ook dat hij vorig jaar voor zijn rol van de Joodse melkboer Tevye in de musical Fiddler on the Roof zo’n 115 kilo woog en op het podium ook nog zware werkmanschoenen droeg. „Het gevoel dat je wilt overbrengen moet tijdens je eerste vier passen op het podium duidelijk zijn.”

Als je elke voorstelling onvergetelijk wilt maken, en steeds alles geeft wat je hebt, wat krijg je daarvoor dan terug, willen wij weten. Geef je als artiest niet de hele tijd je particuliere gevoelens weg?

Merel: „Mijn liedjes zijn niet erg gevoelig vind ik, ze hebben vooral een knipoog. En een optreden geeft mij vaak meer dan het me kost: als het publiek mijn liedjes meezingt dan vind ik dat echt ontroerend.”

Foto Annabel Oosteweeghel

„Gevoelig moet je ook niet interpreteren als zielig”, zegt Thomas. „Sowieso: je schrijft een lied dat persoonlijk is, maar niet privé.”

„Als het privé is, wordt het ongemakkelijk.”

„Een goed lied zegt niet iets over jezelf, maar over andere mensen. Jij bent het vehikel om ze te laten denken: fuck, dat heb ik ook. Ze moeten niet denken: wat erg dat die jongen z’n moeder overleden is, ze moeten denken: ja, zo is het precies.”

„Dit gaat over mij, moeten ze denken.”

Maar hoe bepaal je dan de grens tussen persoonlijk en privé? Moet je iets hebben meegemaakt voordat je erover kunt schrijven?

Merel: „Mensen denken vaak dat alles waar is in een liedje, maar dat is niet zo. Tachtig procent is fantasie, twintig procent is gebaseerd op iets wat je kent. Thomas: „En wat je kent, kun je ook op een andere manier hebben beleefd. Dus dat niet jouw moeder, maar die van een vriend is overleden.”

En als je het wel zelf hebt meegemaakt? Wordt het lied dan beter?

Thomas: „Als je het zelf hebt meegemaakt moet je er poëzie van maken. En inderdaad, dan wordt het lied vaak wel beter. Als je het gewicht van het verdriet kent wordt het sterker. Maar als je het dan gaat zingen, mag jij niet degene zijn die gaat huilen. Je moet tot aan de emotie gaan en zodra je daar bent, geef je die emotie over aan het publiek. Dat moet gaan huilen, jij niet.”

„Je hebt de kwetsbaarheid, maar je houdt de controle.”

„Dan ben je niet meer te raken.”

En hoe houd je de controle?

Merel: „Door op dat moment met de tekst bezig te zijn.”

„Je ziet het voor je, je kent het lied van haver tot gort.”

„Ik schrijf nu meer vanuit concepten dan vanuit iets wat ik heb meegemaakt. Maar eerder schreef ik wel gevoeliger liedjes, ik heb bijvoorbeeld een liedje over hoe ik zie dat mijn zusje ouder wordt en dat ik dat niet wil. Dat liedje zit op de rand van persoonlijk en privé. Ik wil het nog een keer uitbrengen, maar voor wie ik nu ben is het te serieus.”

„Het zal het moment nog niet zijn.”

Als Merol trad Merel bij Down The Rabbit Hole op voor twintigduizend bezoekers, haar grootste publiek ooit. „En jij? Wat is het maximum aantal mensen waar jij voor hebt gespeeld?” Acda & De Munnik, zegt Thomas, haalden tijdens Parkpop in Den Haag een keer 250.000. „Ja, bizar.” Dat optreden was in 1999.

Als uitvoerend artiest staan ze letterlijk in het middelpunt van de belangstelling, of hun liedjes nu privé zijn of niet. Wat doet dat met ze?

Thomas: „Je moet ijdel zijn, anders gaat het niet.”

„Is dat zo? Op de academie was ik onzeker over mijn lichaam, maar nu kijk ik bijna nooit meer in een spiegel. Ja, als ik me opmaak en voordat ik opga. Maar ik ben niet meer bezig met de vraag: ben ik slank genoeg, zie ik er wel goed uit. Ik merk dat als je doet wat je leuk vindt, je erop vertrouwt dat het allemaal wel oké is. Ik ben minder onzeker nu en daardoor minder ijdel.”

Foto Annabel Oosteweeghel

„Ik zat meer te denken aan arrogantie. Mijn idee is dat sinds ik bekend ben, ik zeven keer bescheidener ben geworden. Ik weet dat de mensen naar me kijken, dus ik zorg dat ik niet opval en dat als het kan, het gesprek niet over mij gaat. Je wordt daar heel oplettend in.” En, vindt hij ook: je hoort te weten dat je als artiest wordt omringd door mensen die dingen beter kunnen dan jij. Beter gitaar spelen, zuiverder zingen, meer weten van geluid en van licht. Dat moet trouwens ook: „Ik zou niet graag op een punt willen staan dat ik denk: dit lichtplan had ik zelf beter kunnen ontwerpen.”

„Voor arrogantie ben ik niet zo bang eigenlijk”, zegt Merel. „Ik ben zo perfectionistisch en kritisch op mezelf, ik ben nooit tevreden.”

„Ik ken eigenlijk geen arrogante muzikant of theatermaker.”

„Ik sprak een keer een artiest aan, ik weet niet meer wie het was maar ik dacht toen: die is arrogant zeg. Maar nu snap ik dat dat niet zo was: het was backstage en hij moest zich concentreren, dus hield hij afstand. Je wordt als je bekend bent al snel bestempeld als arrogant. Maar ik ben alleen maar dankbaar dat ik dit mag doen.”

„Paul zei een keer: ze juichen en ze schreeuwen niet naar ons, maar naar de muzikanten die hen een leuke avond bezorgen. Het is niet echt, zei hij, het is alleen maar een afspraak tussen het publiek en ons. Dat vond ik een belangrijke levensles.”

„Op Down the Rabbit Hole stond ik in het publiek bij Grace Jones en ging ik ook helemaal woooew”, ze mimet gejuich. „Dat relativeerde: het gaat niet om mij. Het is gewoon lekker om de persoon op het podium te aanbidden.”

Als om tien uur het officiële interview afgelopen is, zijn ze eerst blij om naar hun kamers te mogen. Maar dan komen de mobieltjes op tafel, en toch nog een nieuwe fles wijn, en laten ze elkaar hun favoriete liedjes horen, anderhalf uur lang. Liedjes van Maarten van Roozendaal, die misschien wel „onze allergrootste liedjesschrijver” was. Merel: „Ik heb één keer met hem op een terras gezeten. Vlak voordat hij ziek werd.” Thomas zet Gladys Knight & the Pips op, ‘Neither One of Us Wants To Be The First To Say Goodbye’. „Hier vallen tekst en muziek precies samen”, zucht hij als het afgelopen is. „Het gaat over proberen, niet opgeven. En toch: als het nummer begint, is het al afgelopen.”

Thomas Acda vertrekt de volgende morgen als eerste. Hij moet naar de huisarts, voor een losgetrokken nagelriempje dat is gaan ontsteken. „Op mijn leeftijd, dat je denkt: waarom onthoud ik niet dat ik dat soort dingen niet moet doen.” Ontbijt slaat hij over: het dieetregime begint weer. Wat hij vandaag gaat doen? Aan zijn tweede boek werken, dat in het najaar uit moet komen. „Kopje koffie erbij, kijken wie je vandaag weer laat doodgaan. Heerlijk vind ik dat, een boek schrijven.”

En Merel? Die gaat naar de studio, nieuwe liedjes maken, en ook schrijven, ze is samen met een vriend bezig aan een filmscript. „Eigenlijk zou het een musical worden, maar toen dachten we: waarom maken we niet een filmmusical.”

De laatste tips van gisteravond: „Zorg dat het lengte krijgt, dat je steeds iets nieuws maakt. En geniet ervan, want het is een geweldig avontuur.”