De zomerplagen van 2019: vier enge beestjes en één plant

Biologie Eikenprocessierupsen, kleine pietermannen, mediterrane draaigatjes… Wie waren de hoofdrolspelers van deze plaagzomer? En zijn ze echt zo griezelig als ze lijken?

Rood-witte linten geven de eiken deze zomer een lugubere uitstraling. Het bos verandert in een plaats delict, een crime scene waar de boosdoener z’n brandharen verspreidt. De eikenprocessierups heeft Nederland in z’n greep. En hij is niet in z’n eentje: „Wie durft nog zorgeloos door het bos te banjeren?”, schreef het AD, naar aanleiding van de „jeukrupsen, draculamieren en horrorteken”. „Exotische plaagdiertjes veroveren Nederland”, kopte de Volkskrant. NRC schreef over een „volksverhuizing van tijgermug en reuzenteek”.

Om een plaag te worden moet een soort voor overlast zorgen, én in grote aantallen voorkomen: één waarneming maakt nog geen plaag. Hebben we een plaagzomer? En nemen zomerplagen toe?

Potentiële oorzaken zijn er te over. Het klimaat warmt op, waardoor vooral soorten uit zuidelijke landen zich makkelijker in Nederland kunnen vestigen. Dat zijn vaak soorten die hier (nog) geen natuurlijke vijanden hebben, waardoor ze snel in aantal kunnen toenemen. Andere soorten zijn al langer in Nederland, maar krijgen pas na een tijdje plaagpotentie. Bijvoorbeeld wanneer concurrerende soorten of roofsoorten in aantal achteruitgaan – door ziekte of veranderende leefgebieden bijvoorbeeld. Ook internationale handel speelt een rol: denk aan insecten die meereizen met geïmporteerde exotische planten, of zaden die met auto’s en campers meeliften en zich in ons land vestigen, zogeheten campingadventieven.

Tegelijkertijd lijken plaagzomers van alle tijden. In 1937 schreef het Twentse dagblad Tubantia al over een muggenplaag in Urk. „Mierenplaag bestreden met stofzuigers” kopte regionaal dagblad De Friese Koerier in 1958. „Insectenplaag: geen voetbal” berichtte Het Parool in 1977. In 2005 werd de Aziatische tijgermug voor het eerst in Nederland gesignaleerd. Sindsdien bestrijdt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit de soort zodra die ergens opduikt, om vestiging te voorkomen.

Hoe zit dat met de hoofdrolspelers van de huidige plaagzomer? Zijn die daadwerkelijk in opkomst? En zijn ze echt zo griezelig als ze lijken?

Beluister ook de podcast over plaagdieren, met Lucas Brouwers, Gemma Venhuizen en Hendrik Spiering: De horrorzomer van 2019

Eikenprocessierups

Foto iStock

Eikenprocessierups

‘Even mijn oranje pak en mijn laarzen uittrekken”, zegt entomoloog Silvia Hellingman aan de telefoon. Zojuist heeft ze in de omgeving van het Drentse Westerveld nog enkele eikenbomen van netten voorzien voor haar onderzoek aan eikenprocessierupsen. Al tientallen jaren doet Hellingman onderzoek naar de eikenprocessierups. De soort is deze zomer uitgebreid in het nieuws. „In veel kranten lees je dat de soort pas dertig jaar in Nederland aanwezig is, maar rond 1850 werden er bij Nijmegen al meldingen gemaakt van eikenprocessierupsen.” Vanaf het begin van de twintigste eeuw was het een tijdlang rustiger. „Vermoedelijk waren er wel wat rupsen, maar die vormden nooit een probleem.”

Tot in de jaren negentig: toen kregen vooral in Oost-Nederland veel mensen last van jeukende bultjes en branderige ogen, door de minuscule brandhaartjes die bij de processierupsvervellingen vrijkomen. Dat de eikenprocessierups in 2018 en 2019 opnieuw voor veel overlast zorgt, heeft vooral te maken met het verdwijnen van natuurlijke vijanden als sluipwespen en gaasvliegen, zegt Hellingman. „En dat komt onder meer door bestrijdingsmiddelen en het strenge maaibeleid.”

Als de nesttemperatuur boven de 32 graden Celsius komt, kunnen eikenprocessierupsen onder de grond schuilen, ontdekte Hellingman. „Dat verklaart waarschijnlijk waarom we vorig jaar nog tot eind september eikenprocessierupsen aantroffen. Die hadden gewacht op een koeler moment om weer boven te komen. Ja, het zijn slimme beestjes.”

PLAAGPOTENTIE: hoog. Ze zijn met velen, ze veroorzaken jeuk en ze laten zich vooralsnog niet gemakkelijk verjagen.

Kleine pieterman

Foto Hans Hillewaert

Kleine pieterman

Steeds meer giftige visjes aan de Zeeuwse kust, schreef de NOS op 1 juli op basis van een persbericht van het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ). Daarbij ging het om de kleine pieterman, zo’n 15 centimeter lang, een van de giftigste vissen uit de Noordzee. Hij graaft zich in het zand in en wacht daar op prooivissen. Alleen zijn ogen en zijn zwarte rugvin steken iets boven het zand uit. In die vin zit een gifstekel. „Als je daardoor wordt gestoken, bijvoorbeeld doordat je per ongeluk op de vis gaat staan, doet dat enorm veel pijn”, zegt Ingeborg de Boois, adjunct-hoofd van het Centrum voor Visserijonderzoek van de Wageningen Universiteit. „De enige remedie is dan om je voet in heel heet water te houden – zo heet als je kunt verdragen, liefst boven de 40 graden. De hitte zorgt ervoor dat het gif afbreekt.”

De Boois doet al zo’n dertig jaar onderzoek langs de Nederlandse stranden en op de Noordzee. De kleine pieterman is zeker geen nieuwkomer, zegt De Boois. „Op zee vangen we hem al jaren.” Dat hij deze zomer weer in het nieuws was, komt door een rapport van Seawatch-B, een initiatief van het VLIZ waarbinnen vrijwilligers worden opgeleid om het strand te monitoren. Daarin staat dat tussen 2014 en 2018 sprake lijkt van „een opwaartse tendens in de dichtheid van kleine pietermannen per jaar”. Maar in één moeite door wordt vermeld dat er geen significante verschillen tussen de jaren zijn gevonden. De Boois: „Visstanden fluctueren sowieso heel erg van jaar tot jaar, dus voor je kunt spreken van een trend moet je echt wat langer monitoren dan vijf jaar.”

De soort wordt vooral in de zomer gezien. Dan zijn er meer badgasten én er zijn meer kleine pietermannen langs de kust. „De kleine pieterman houdt van lekker warm, dus die laat zich vooral bij hogere temperaturen zien. Geen nieuw plaagdier dus, maar wel een typisch zomerfenomeen.”

PLAAGPOTENTIE: gering. Er is geen significante toename van pietermannen. Hun steek is pijnlijk, maar het aantal slachtoffers per jaar valt mee.

Alsemambrosia

Foto Domnitskyi Yaroslav

Alsemambrosia

De van oorsprong Amerikaanse alsemambrosia ziet er met zijn harige stengel en ‘geveerde’ bladeren aaibaar uit, maar kan het hooikoortsseizoen met twee maanden verlengen: de groene aren bloeien pas in september en oktober en verspreiden dan veel stuifmeelkorrels.

Al in 1875 werd de eerste alsemambrosia in Nederland ontdekt; pas sinds 2000 stijgt het aantal waarnemingen. Waarschijnlijk zijn veel zaden met vogelvoer meegekomen, zegt plantenonderzoeker Michiel Verhofstad van FLORON (Floristisch Onderzoek Nederland). „In je tuin onder de vetbol kunnen dus alsemambrosia’s gaan groeien.”

Begin augustus ging de landelijke ambrosiacampagne weer van start. Die wordt sinds 2011 jaarlijks georganiseerd door onder meer FLORON en heeft als doel om zoveel mogelijk exemplaren van de alsemambrosia te verwijderen. Gemeenten krijgen de vraag om de plant weg te halen en bij het restafval te gooien, zodat de soort zich niet kan verspreiden. „We moeten wachten tot het einde van de bloeiperiode om de balans van deze zomer op te maken”, zegt Verhofstad. „Maar in 2018 zijn de waarnemingen van de alsemambrosia in het openbaar groen – dus niet bij mensen in tuinen, maar bijvoorbeeld in natuurgebieden of op braakliggende grond – ten opzichte van 2017 met 70 procent toegenomen.” Dat kan natuurlijk aan succesvolle campagnevoering liggen, maar ook aan toename van de soort. „Eén plant verspreidt al veel zaden, en als je er dan bij stilstaat dat die tot veertig jaar kiemkrachtig blijven, heb je wel een potentiële plaag in handen.”

PLAAGPOTENTIE: matig. Mensen met hooikoorts kunnen veel last hebben van de plant. Het lijkt erop dat hij zich aan het verspreiden is.

Hyalomma-teek

Foto iStock

Reuzenteek

‘Bij een langzame wandelaar kan een Hyalomma-teek de achtervolging maximaal 100 meter volhouden”, liet de Russische bioloog Vladimir Romanenko van de universiteit van Tomsk half juli desgevraagd per mail weten. Die week had een vrouw in Drenthe op haar paard een ‘reuzenteek’ ontdekt van de soort Hyalomma marginatum die, volgezogen, twee centimeter groot kan worden. Eerder dit jaar ontdekten biologen in Duitsland, niet ver van de grens met Nederland, meerdere teken van diezelfde soort.

Algauw leken de verhalen over de reuzenteek groter en groter te worden. Maar in NRC  noemde bioloog Arnold van Vliet de kans dat je de teek tegen zou komen „nihil”: „Mensen kunnen zich beter zorgen maken over schapenteken.” Die zijn veel algemener in ons land, en dragen soms de bacterie Borrelia burgdorferi bij zich, die de ziekte van Lyme kan veroorzaken. Maar de reuzenteek kan weer het Krim-Congovirus bij zich dragen, dat levensbedreigende koorts veroorzaakt.

PLAAGPOTENTIE: vooralsnog klein. Maar áls de Hyalomma-teek zich zou vestigen in Nederland, dan kán het gevaarlijk worden.

Mediterraan draaigatje

Foto iStock

Mediterraan draaigatje

‘Nieuwe insectenplaag in aantocht: het draaigatje’ kopte De Gelderlander op 10 juli. De aanwezigheid van deze mieren met hun beweeglijke achterlijf kan leiden tot verzakkende tuinen en een toename van het aantal bladluizen. „Net als andere mieren leven mediterrane draaigatjes graag op relatief warme plekken”, zegt André van Loon van EIS Kenniscentrum Insecten. „Onder tegels bijvoorbeeld. En doordat ze meerdere koninginnen in één nest hebben, kan er een superkolonie ontstaan die de tuin ondergraaft.”

Wat de bladluizen betreft: die worden door de mieren ‘gemolken’ voor hun zoete honingdauw. Daarom beschermen de mieren ze tegen rovers als lieveheersbeestjes. Gevolg: plakkerige planten. Het draaigatje kán ook bijten. „Maar die beet is niet meer dan een speldenprikje”, zegt Van Loon.

Vermoedelijk komen de mieren in Nederland via de import van exotische potplanten, zoals olijfbomen. In Nederland zijn nu zeker elf kolonies mediterrane draaigatjes bekend. De eerste waarneming was in 2013 in Wageningen: een kolonie die zich uitstrekte over ruim 120 meter – een deel van de bovenliggende stoep stond op instorten. Inmiddels is de stoep verstevigd en is de kolonie zo’n 180 meter lang.

PLAAGPOTENTIE: matig. De aanwezigheid van mediterrane draaigatjes in en om huizen is vervelend, maar gezondheidsrisico’s zijn er niet.