Recensie

Recensie Boeken

De ‘Tony Blair-babe’ is dement geworden

Howard Jacobson In zijn nieuwe roman Leef een beetje beziet Jacobson de wereld vanuit bejaarde misantropen.

Foto Sake Elzinga

Zet twee misantropen van ruim negentig jaar bij elkaar en je hebt – als je tenminste Howard Jacobson heet – een liefdesverhaal. Leef een beetje is de enigszins ironische titel van zijn nieuwe, fascinerende roman. Na een satirische roman over Donald Trump (Pussy, 2017) en een zeer geslaagde bewerking van Shakepeare’s The Merchant of Venice (Shylock is My Name, 2016) zijn het de vertrouwde thema’s die terugkeren: identiteit, domheid en vernedering.

Pussy was als roman niet helemaal geslaagd, maar het bedrog van het Trump-personage, en de manier waarop die zichzelf met een mooiere identiteit wist te presenteren, keren in dit nieuwe boek verhevigd, en veel effectiever, terug. En de personages mogen in Leef een beetje kleiner zijn dan bij Shakespeare, de pogingen om ondanks het verhaal on top of the world te blijven, heeft ironisch-heroïsche proporties, een koningsdrama waardig.

De nieuwe roman draait om de weduwe Beryl Dusinberry en Shimi Carmelli, de enige bejaarde vrijgezel die tot verrukking van menige weduwe zelf zijn gulp nog dicht kan doen. Beiden hebben last van hun urinewegen, maar zijn verder elkaars tegenpolen: waar Beryl steeds vergeetachtiger wordt en haar dagen vult met het treiteren van haar kinderen en verzorgers, heeft Shimi juist last van zijn té goed werkende geheugen en mijdt hij de medemens. Terwijl Beryl zichzelf een nieuwe naam geeft, Prinses Schweppessodawasser, moet Shimi het doen met de vele bijnamen die anderen hem geven.

Treiteren

Aanvankelijk worden de verhalen van de twee los van elkaar verteld. Beryl, die veel op heeft met Medea, werkt aan haar memoires, voor zover haar geheugen dat nog toelaat, en borduurt levenslessen. Ze heeft verschillende huwelijken achter de rug en is ooit uitgeroepen tot ‘Moeder van het Jaar’. Dat is tamelijk verrassend voor iemand die haar zonen – beiden politici – onophoudelijk beledigt en kleineert. Bovendien draagt ze een geheim met zich mee over haar eerstgeborene. Om haar zonen te tarten wordt ze op haar zeventigste ook nog eens een ‘Tony Blair-babe’. Tamelijk laat, vindt ze zelf ook, maar ze heeft het er voor over. Ook haar twee verzorgers, beiden immigranten, trakteert ze op neerbuigende opmerkingen. Over een van hen merkt ze op: ‘Het zijn niet alleen die kleren, het arme kind heeft ook een belabberde houding. Maar ja, hebben ze dat niet allemaal in Afrika?’

Chronologisch wordt het verhaal niet verteld, en de reden daarvoor wordt gegeven door de deftige Beryl: ‘chronologie is iets voor onbeduidende mensen’. Zo kom je dus ook pas na verloop van tijd te weten waar Shimi aan lijdt: als klein kind trok hij ooit de onderbroek van zijn moeder aan. Zijn vader komt erachter en vanaf dat moment is hij een teleurstelling. En dat terwijl zijn broer juist iedereen aan het lachen krijgt met zijn houten geweertje.

Bij de dood van hun moeder is Shimi machteloos en hij blijft zelfs zwijgen wanneer zijn moeder hem op het laatste moment bij zich roept. Zijn broer is wél verzorgend en lief, maar neemt met zijn houding ook alle ruimte in. Mooi is het hoe Jacobson (Manchester, 1942) dit ‘kleine’ jeugdverhaal bepalend laat zijn voor de positie die je inneemt in de wereld, het gegeven waar de hele roman in feite om draait.

Prompt zwanger

Het is de deceptie die Beryl en Shimi bindt. Beryl is teleurgesteld in de wereld, in de vele mannen die ze had en die haar ‘exploreerden’ ook al had ze aangegeven dat ze ‘geen olieveld’ was (waarna ze prompt zwanger raakt). Shimi is teleurgesteld in zichzelf en ziet dat bevestigd in de medemens die hij in de steek laat bij elke ontmoeting.

Wat wil Jacobson bereiken met deze twee levens die hij op elkaar legt? Of anders gezegd: wat voor (roman)wereld krijg je, wanneer twee mensen op deze manier tegenover elkaar staan: de ene met het doelbewuste bedrog van de kaartspeler, de ander die alles wat ze zich van het leven herinnert als een spreuk wil borduren? Het geperverteerde liefdesverhaal is een kat-en-muisspel, en Jacobsons wrange humor en stilistisch vernuft laten haarfijn zien dat beiden vooral prooi zijn.