Voor haar was geen noot onhaalbaar

De Laatste Bladzijde In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Operazangeres Magdalena Pattianakotta (1951-2019) zette zich in voor de Molukse gemeenschap.

Magdalena Pattianakotta tijdens een van haar optredens.
Magdalena Pattianakotta tijdens een van haar optredens.

Toen predikant Zeth Mustamu begon met zanglessen bij Magdalena Pattianakotta, viel hem na een paar keer op dat ze er zo slecht uit zag. „Magdalena”, begon Mustamu voorzichtig. „Je ziet er niet goed uit.” Klopt, antwoordde ze toen. Ik heb lupus en een auto-immuun ziekte, heel vervelend allemaal. „Maar”, zegt Mustamu, „ze vertelde het allemaal met zo’n grote glimlach, dat ik vanzelf ook in de lach schoot.” En nadat ze even om haar ziektes hadden gelachen, begonnen Mustamu en Pattianakotta met de zangles.

Dat doorzettingsvermogen was tekenend voor Pattianakotta, zegt Mustamu. „Toen ik bij haar begon met zangles, had ik nauwelijks ervaring met opera. Maar Magdalena pushte me om noten te zingen waarvan ik dacht dat ik ze nooit zou halen.” De filosofie van Pattianakotta: denk altijd dat je die noot wel gaat halen, dan haal je hem. „Zo stond ze ook in het leven”, zegt Mustamu. „Ze dacht altijd: ik red het wel, ik ga gewoon door.”

Totdat ze niet meer kon. Vorige maand trof een van haar leerlingen haar levenloos aan in haar woning in Scheveningen. Die ziektes waar ze om had gelachen, waren haar toch te veel geworden.

Pattianakotta, die eigenlijk Marian Hiele heette maar altijd haar artiestennaam gebruikte, groeide op als oudste kind in een gezin van vijf – vier dochters en een zoon. Haar ouders leerden elkaar kennen in Indonesië, waar haar vader zijn dienstplicht uitzat en haar moeder als verpleegster werkte bij de KNIL. Op de boot naar Nederland bleek Magdalena’s moeder zwanger – drie maanden later waren haar ouders getrouwd. Het gezin vestigde zich in Breukelen, waar vader als gereedschapsmaker aan de slag ging en zich opwerkte tot technisch tekenaar. Moeder bleef thuis bij de kinderen, en werkte af en toe in een restaurant om bij te verdienen – zo breed hadden ze het niet.

Thuis werd er altijd muziek gemaakt. Tijdens de afwas zong het gezin meerstemmig Simon & Garfunkel, en als de kinderen onderling ruzieden, zeiden hun ouders: ga maar even zingen. „Dan was het binnen een minuut weer goed”, zegt Magdalena’s oudste zus Thea. De broers en zussen traden als tieners geregeld op tijdens jeugddiensten in de kerk, onder artiestennaam ‘Daddy’s Five’.

Het werd al snel duidelijk dat het zingen voor Magdalena belangrijker was dan voor de rest van de kinderen. Vaak zat ze ‘s avonds voor het raam van de slaapkamer van haar ouders, met haar gitaar, liedjes te zingen van Nat King Cole en Joan Baez. Op de middelbare school organiseerde ze een musical – The Sound of Music – waarvoor ze zelf de teksten schreef en de regie deed.

Ja, als Magdalena eenmaal iets in haar hoofd had, dan moest alles daarvoor wijken, vertelt Thea. Terwijl hun moeder de kinderen zo min mogelijk ‘Moluks’ wilde opvoeden, wilde Magdalena juist die kant van zichzelf ontdekken. Al vanaf jonge leeftijd deed ze vrijwilligerswerk voor de Molukse gemeenschap, ze leerde zichzelf de Molukse taal aan, later ging ze Molukse kerkkoren dirigeren. Binnen het gezin werd wel eens gegrapt dat Magdalena zo betrokken was bij de Molukse gemeenschap omdat ze als enige in Indonesië verwekt was.

Magdalena Pattianakotta in 1970, in de tijd dat ze haar carrière begon; links: mei 2019

Na de kweekschool haalde Magdalena een diploma aan het Koninklijk Conservatorium van Den Haag en ging ze aan de slag als operazangeres en zangdocent. Ze trad op waar ze maar gevraagd werd, in kerken en concertzalen, op allerlei evenementen. Rijk werd ze er niet van, maar zolang ze goedkoop leefde kon ze goed rondkomen. Ze had veel leerlingen, begeleidde meerdere koren, gaf in 2010 een jaar les op het conservatorium van Bangkok – het was daar dat bleek dat ze lupus had. „Sindsdien was ze eigenlijk altijd ziek”, zegt Thea. Ze kreeg er een auto-immuunziekte bij die niet te bestrijden was, had in 2013 een hersenvliesontsteking en lag een tijd in coma.

Maar Magdalena bleef doorgaan met optreden en het geven van zangles. Ze begeleidde koren van de Molukse Evangelische Kerk, en organiseerde musicals bij het Multicultureel Ontmoetings Centrum in de Schilderswijk. Daarnaast zette ze zich in voor de emancipatie van vrouwen en migranten; ze zat sinds 1997 in de Molukse Vrouwenraad. Voor al deze verdiensten kreeg Magdalena in 2014 een lintje van burgemeester Jozias van Aartsen van Den Haag. In zijn speech noemde hij haar een „onvermoeibare bruggenbouwer”, die zich „belangeloos” inzette voor minderheden.

Onvermoeibaar was Magdalena inderdaad, zegt haar leerling Mustamu. „Ik besprak veel met haar, over mijn werk met de Molukse kerk en hoe moeilijk het soms was om daar veranderingen door te voeren.” Mustamu wilde bijvoorbeeld graag af van de langzame, gedragen manier waarop er in de kerk gezongen werd – dat kon wel wat vrolijker. „Maar zie zoiets maar eens over te brengen naar een gemeenschap die al jaren zo zingt.” Magdalena zei als Mustamu met zo’n probleem aankwam altijd: probeer het gewoon, wat heb je te verliezen? Zoals voor haar geen enkele noot onhaalbaar was, zo was het hele leven voor haar een kans die ze niet onbenut wilde laten. Drie dagen voor ze overleed trad ze nog op. Mustamu: „Ze heeft gezongen tot haar laatste adem.”