Opinie

Verplicht Duits en Frans is goed voor Europa

In Europa

Het Duitsland Instituut Amsterdam sloeg deze week alarm: het vak Duits op Nederlandse scholen komt in de verdrukking. Hetzelfde geldt voor het Frans. Er zijn plannen om lagere scholen en het voortgezet onderwijs niet langer te verplichten om naast Engels een tweede vreemde taal aan te bieden. Die tweede keuzetaal kan Frans zijn of Duits, maar evengoed Chinees of Turks.

Volgens het DIA is dat dom: Duitsland is het grootste buurland van Nederland, en de grootste handelspartner. Het is belangrijk dat kinderen Duits leren. Veel bedrijven en organisaties werken met Duitsers. In Berlijn spreekt men misschien Engels, maar op het platteland minder. Hetzelfde geldt voor het Frans: met Engels kom je in Frankrijk of Franstalig België niet ver. Slecht voor de banden met een (bijna-)buurland, slecht voor de economie.

Maar is dit de enige reden, Duitsland Instituut? Er is nog een belangrijke reden, die we best eens mogen noemen: zonder Frans en Duits in je talenpakket is het moeilijker om Europa te begrijpen. En om in Europa te opereren. De Britten vertrekken met slaande deuren. Niet-Engelstalige landen worden dus belangrijker. En juist nu beslissen wij om vooral nog in Engelstalig onderwijs te investeren?

De Europese integratie draait om Frankrijk en Duitsland. Daar begon het mee, en zo gaat het in veel opzichten nog. Die twee landen hebben uiteenlopende belangen en verschillende politieke en bestuurlijke culturen. Duitsers en Fransen denken altijd overal anders over. Vroeger liep dat eens in de zoveel tijd op oorlog uit. Daarom is de Europese integratie uitgevonden, en Brussel: opdat die twee voortaan met woorden zouden schieten, niet met munitie.

Dat doen ze, sinds de jaren vijftig. En hoe. Duitsland is overwegend protestants, met een legalistische cultuur. Frankrijk is katholiek en heeft een etatistische cultuur. In Brussel clasht dat constant. Europa drijft grotendeels op compromissen tussen deze twee dominante culturen. Als je die compromissen wilt begrijpen – of ze wilt sturen of torpederen – moet je je in die culturen verdiepen. Als je geen Frans of Duits spreekt of leest, wordt dat lastig.

Er was lang een derde dominante cultuur in Brussel: de liberale angelsaksische. Wij haalden Groot-Brittannië in 1973 de EEG in. Eindelijk tegenwicht tegen die dominante twee! Maar het maakte ons lui. We focusten op het Engelse taalgebied. Studenten liepen geen stage meer in Brussel of Parijs, maar in Londen of Washington. Nederlandse diplomaten en journalisten in Brussel spreken vaak amper Frans. Niet handig. Als je wilt beschrijven hoe Nederlandse politici opereren in Brussel, moet je ook met Fransen en Duitsers praten en in hun sociale circuits terechtkomen. Als je landgenoten op Europese topjobs wilt, moet je Parijs mee hebben of schaakmat zetten. Ook daarvoor moet je onder hun huid kruipen. Achteraf klagen over het perfide Albion is te makkelijk. Frans tot verplicht eindexamenvak maken zou een beter antwoord zijn.

Lees ook: Onderschat de Franse diplomatie niet langer

Ander voorbeeld: de eurocrisis. Dat was een clash tussen de Franse en Duitse manier van denken. Om hun worsteling te begrijpen, moet je hun taboes en geschiedenis doorgronden. Hun kranten lezen. Met veel mensen praten – over elkáár, liefst. Nederland klampte zich in die crisis aan Duitsland vast. De Nederlandse media spraken vooral angelsaksische economen. Slimme types, heldere oplossingen. Maar de euro was hun munt niet. Over de worstelingen tussen die twee andere culturen werd je weinig wijzer. Zo werden we keer op keer, voorspelbaar, door Berlijn verneukt.

Na Brexit worden Parijs en Berlijn machtiger. Als Nederland gehoord wil worden, heeft het die twee harder nodig dan voorheen – óók om zich tegen hen af te zetten. Als we dit spel goed willen spelen, moeten we ons niet in Engelstalige clubjes terugtrekken, maar juist Duits en Frans weer verplicht stellen op school. Liefst morgen nog.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.