Opinie

Vergeef me

Ellen Deckwitz

Het is heerlijk weer en dus liggen mijn zus en ik in het park, bij te komen van de eerste helft van 2019. Augustus dwingt altijd tot het maken van een klein overzicht: wat hebben we tot dusver met dit jaar gedaan, hoe stonden we er een zomer geleden voor, waar willen we over een jaar zijn?

„Eigenlijk heb ik niets te wensen”, zegt mijn zus. „Mijn leven is nog nooit zo fantastisch geweest als nu.”

„Wat geweldig!”

„Nee joh, vreselijk! Het maakt me knetteronrustig. Het kan vanaf nu alleen nog maar bergafwaarts gaan.”

Ze denkt even na en zegt dan: „Eigenlijk is dat ontzettend jammer, dat alles telkens beter moet, dat iedere dag de overtreffende trap van de vorige moet zijn. Levensgevaarlijk. Straks gaan we consistentie nog zien als recessie.”

„Wow, ja”, zeg ik. „Dat is misschien wel het vervelendste aan het feit dat we in een tijdsgewricht leven waarin er van de mens continue vooruitgang wordt verwacht. Je wordt zo een concurrent van alle eerdere versies van jezelf.”

„Onvoorstelbaar dat persoonlijke groei alleen maar bestaat bij gratie van het overtroeven van zo’n vroegere versie die ook maar gewoon haar best deed”, zucht mijn zus. Dan grinnikt ze.

„Voor hetzelfde geld kijk ik volgend jaar op dit moment terug en denk ik dan dat ik niet zo moest piepen, dat toen alles tenminste nog goed ging. Dat het nergens op sloeg om mezelf als een rivaal, als vijand te zien.”

„Oscar Wilde schreef eens dat je je vijand altijd moet vergeven, omdat niets hen zo irriteert als dat.”

‘Hij heeft gelijk!”, zegt mijn zus. Ze springt op, zet haar handen rond haar mond en roept keihard naar de hemel dat ze haar toekomstige versie om vergiffenis smeekt, dat het echt niet de bedoeling was dat ze momenteel zo gelukkig is maar dat ze daar ook gewoon helemaal niets aan kan doen.

„Vergeef me dat alles momenteel ontzettend goed gaat!”, roept ze, „en dat het daar ongetwijfeld afschuwelijk is!” Ze draait zich naar me om, barst in lachen uit, heeft hoogrode konen, is nog nooit zo mooi geweest als nu. De rusteloosheid is verdwenen, ze maakt zich heel even niet druk om wat er komen gaat. Ze hikt van het lachen, om die onbekende en ongetwijfeld verschrikkelijke toekomst die haar wacht en joelt weer de longen uit haar lijf omdat diezelfde toekomst nog daar is, en haar momenteel helemaal niets kan maken. Dat ze momenteel, hoe kortstondig misschien ook, gewoon even veilig is, en daarom maar niet op kan houden met excuses roepen naar de toekomst.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.