Recensie

Recensie

Eindelijk zijn de vrouwen de helden

Emancipatie Drie schrijfsters prijzen in hun hervertellingen van klassieke verhalen niet de mannelijke helden, maar de vrouwelijke bijfiguren, die uitblinken in doorzettingsvermogen.

Illustratie: Joost Stokhof

‘Het vernederen van vrouwen is in mijn ogen een van de belangrijkste bezigheden voor dichters. Alsof er geen verhaal is, tenzij wij wenend door het stof kruipen.’

(Circe, in Circe van Madeline Miller)

‘Omdat dit, vergis je niet, zijn verhaal was – zíjn woede, zíjn verdriet, zíjn verhaal. Ík was boos, ík had verdriet, maar dat deed er niet toe. Hier zat ik weer […] nog steeds gevangen, nog steeds vast in zijn verhaal, maar zonder er echt een rol in te spelen.’

(Briseïs, in De stilte van de vrouwen van Pat Barker)

‘… de mooie onderdrukte maagd die naar het koninklijk paleis komt, de jaloerse stiefzusters, het glazen muiltje dat niet past…’

‘Meneer, ik kan dat verhaal niet bevestigen.’

(Agnes, in Er was eens iets anders van Danielle Teller)

Je zou denken dat er iets rechtgezet moet worden. Bovenstaande citaten komen uit drie romans. Drie hervertellingen om precies te zijn, ook goed te lezen zonder de originele verhalen te kennen. De Amerikaanse Madeline Miller (1978) boog zich over onder meer Homerus’ Odyssee en licht in Circe het lot van de gelijknamige nimf uit. De roman staat op de shortlist van de prestigieuze Women’s Prize for Fiction – een prijs (toen nog de Orange Prize for Fiction) die ze in 2012 al in de wacht sleepte met een op de Illias gebaseerde vertelling over de liefde tussen strijders Achilles en Patroklos.

De Britse Pat Barker (1943) staat met haar veertiende roman ook op de shortlist voor de Women’s Prize for Fiction. Zij put met De stilte van de vrouwen ook uit de Illias van Homerus, maar schrijft in plaats van over Achilles het verhaal vanuit Briseïs, een prinses uit Lyrnessos die hij in het legerkamp als slavin houdt.

De Canadees-Amerikaanse medisch wetenschapper Danielle Teller grijpt in haar romandebuut Er was eens iets anders terug op een sprookje. Haar hervertelling van Assepoester draait niet om de beeldschone prinses, maar om de boze stiefmoeder, die helemaal niet boos is want het blijkt – zoals in alle drie de romans – natuurlijk veel genuanceerder te liggen.

Boze stiefmoeder

Het hervertellen van klassieke verhalen – volksverhalen, mythes of religieuze vertellingen – is van alle tijden en plaatsen. Sterker: de oudst overgeleverde variant van Assepoester op schrift schreef een Griekse geschiedschrijver, uit het Egypte van de eerste eeuw voor Christus. Verhalen die nu dankzij Homerus of de gebroeders Grimm in steen gebeiteld lijken hebben een lange geschiedenis.

Het verwerken van oude verhalen in nieuwe romans is ook nu eerder regel dan uitzondering. De Schotse uitgeverij Canongate lanceerde in 2005 een reeks internationale mythen bewerkt door schrijvers als Margaret Atwood en Milton Hatoum. Er zijn veel voorbeelden van eigen bodem te noemen, maar te mooi om niet te vermelden is het in de jaren veertig verschenen Sprookjesfiguren van Wim Povel, beter bekend als stem van het bioscoopjournaal, waarin hij bekende sprookjes vanuit marginale personages beschouwt; de amusante bundel opent met de koetsier van Assepoester.

Het naar de voorgrond halen van een bijrol is wat ook Miller, Barker en Teller bindt. In alle drie de romans mondt dat uit in een boodschap – niet de heldhaftigheid van de man wordt geprezen, maar het doorzettingsvermogen van de vrouw. Of, zoals bij Teller: een lijzige prinses wordt niet als bij toverslag uit haar lijden verlost, maar een (niet zo boze) stiefmoeder met grandioze daadkracht knapt het zelf wel even op.

Toverkruid

Hoe pakt dat hervertellen uit? In Millers geval in een erg prettige roman. In het oerverhaal wordt Circe door haar vader (zonnegod Helios) wegens haar toverkunsten naar het onbewoonde eiland Aeaea verbannen. Daar zou ze als een valse heks zeemannen in de val lokken om ze in varkens te veranderen. Odysseus weet zich dankzij een toverkruid te beschermen en krijgt het woeste wijf smekend om genade op de knieën.

In Millers versie zet Circe haar tovenarij in als zelfbescherming. Want wat blijkt: de zeelui zijn geneigd tot verkrachting. Maar voor het zover is neemt Miller ruim de tijd om Circes kindertijd te omschrijven, in het zwartglanzende paleis van Helios, die zoveel licht geeft dat zelfs veel goden niet lang naar hem kunnen kijken. ‘Maar ik was zijn vlees en bloed,’ aldus Circe, ‘en staarde zo lang naar zijn gezicht dat toen ik wegkeek, het beeld nog steeds op mijn netvlies gebrand stond.’

De Brit Stephen Fry wekte de Griekse helden tot leven. Als geen ander laat hij zien dat ze een wereld vertegenwoordigen van macht en actie, waarin mensen volop leven, sterven en beminnen. (●●●●) Lees ook: Stephen Fry jongleert met helden en goden

Miller toont het vermogen om zich de symboliek waar mythes bol van staan eigen te maken. Net als dat ze de klassieken eer aan doet door het geroddel, de drama’s en de intriges die op de godenberg Olympus hoogtij vieren, intact te laten. Circes fascinatie voor buitenbeentjes en mensen (door haar moeder ‘wilde zakken verrot vlees’ gedoopt – Miller bezit een heerlijk zwartgallige humor) zorgt ervoor dat alle tegenstellingen kleur krijgen. Die tussen sterfelijkheid en het eeuwige leven, wreedheid uit lol en uit noodzaak, liefde als spel en in ernst. Zaken die op scherp gesteld worden als Circe een sterfelijke zoon baart, die ze met alles wat ze in zich heeft tegen de toorn van oorlogsgodin Athena moet beschermen, op dat eiland waar ze niet vanaf mag.

Tot slaaf gemaakten

Ook Barkers protagoniste kan weinig kanten op. Als De stilte van de vrouwen iets aantoont, is het wel dat Briseïs vrijwel geen invloed heeft op haar eigen levenswandel. Als prinses is het al niet de bedoeling dat ze al te veel leeft, of naar buiten gaat. Dan wordt ze in de oorlog ‘geroofd’ en eigendom van legerleider Achilles. Ze slijt haar dagen in een legerkamp, net als vele andere tot slaaf gemaakte vrouwen. Als ze aan koning Agamemnon – ook in het kamp – wordt beloofd, gaat Achilles wrokkig in staking.

Ondertussen kan Briseïs weinig anders doen dan wachten, gewonde soldaten verzorgen, verplicht in bed liggen bij de koning. Zelfs haar vriendschappen met vrouwen zijn afhankelijk van of zo’n vrouw toevallig door een man bij haar in de buurt neergezet wordt, en voor hoelang. Het (gedwongen) passieve van de protagoniste bijt zich wat in de eigen staart.

De stilte van de vrouwen is bij vlagen nogal een taaie leeservaring. Hoewel de beschrijvingen van de getormenteerde Achilles en zijn vriend Patroclos wonderschoon zijn, kan ook de lezer verder weinig anders dan wachten in dat smerige kamp, en met Briseïs meekijken hoe Achilles met veel pathos baantjes trekt in een zee van en-toenen. ‘Maar toen’, beschrijft ze, ‘weken de zwevende mistsluiers even uiteen en zag ik mensenarmen en schouders […]. Meer gehijg, meer gespetter – en toen, plotseling, stilte, toen hij zich omdraaide en met zijn gezicht omlaag in het water ging liggen.’ Het water dus, waar zijn moeder de zeenimf woont, volgens de overleveringen.

Poep en menstruatiebloed

Barker heeft de wereld van goden en magie wat in laten krimpen, misschien om het rauwe drama rauwer te laten zijn. Schiet bij Homerus de god Apollo pestpijlen het kamp in om de gevangenschap van een priesterdochter te wreken, bij Barker wordt de relatie tussen de dochter en de ziekte vooral verondersteld – het kan ook toeval zijn. De momenten waarop Barker wel wat goddelijke interventie toelaat zorgen voor afwisseling van de aardse gruwelijkheid die ze keer op keer van de pagina’s laat druipen, gepaard met veel pestbuilen, lijken, en, als de vrouwen bij elkaar zitten, ‘de geur van melk, babypoep en menstruatiebloed’.

Is magie dan noodzakelijk voor wat schwung? Nee: dat bewijst Danielle Teller. Van toverij geen sprake in Er was eens iets anders. Geen feeën, maar een moeder-overste, geen pompoenenkoets maar een duur rijtuig met een wat bolle vorm. Agnes werkt zich gedurende het verhaal uiteindelijk op van arm, mishandeld wasmeisje tot bierbrouwer, tot gemalin van Assepoesters dronkenlap van een vader. Ze is een self made woman tot en met.

Smeuïge bewerking

Het is een smeuïge bewerking. De kift van Assepoesters stiefzusters is niets meer dan kinderruzie en ook blijkt de ‘lelijkheid’ van diezelfde zusters nogal subjectief; vooruit, Assepoester – die maar een bijrolletje heeft – is oogverblindend mooi, maar wat de zusters volgens buitenstaanders ontsiert zijn geen gelaatstrekken, maar een donkere huid en littekens van de pokken. ‘Assepoes’ dankt haar bijnaam aan het feit dat ze één dag, bij wijze van een lesje nederigheid, in de wasruimte te werk wordt gesteld.

Bij elke grom stootten zijn naakte heupen en uitgezakte achterste energiek tegen de wiebelende kont van de wasvrouw.

Het is vreselijk jammer dat de roman nogal onnodig is verdeeld in dagboekpassages van Agnes en terugblikken van Agnes die géén dagboekpassages zijn (dit is net zo verwarrend als het hier klinkt), en dat die arme Agnes van Teller weliswaar behoorlijk wat daadkracht meekrijgt, maar geen schrijftalent. Het is dan net of je een krukkig Bouquet-romannetje leest, vol ‘ernstige bruine ogen’, ‘regen die ramen geselt’ en borsten die worden vergeleken met bleke manen. Dat laatste lees je ongelukkig genoeg net nadat een vrouw die van achter wordt bereden door een man als ‘een kind dat paardje speelt’ is omschreven (wacht: paardenmanen?), om vervolgens deze aanfluiting van een passage voort te zetten met een fysiek onmogelijke prestatie: ‘Bij elke grom stootten zijn naakte heupen en uitgezakte achterste energiek tegen de wiebelende kont van de wasvrouw, waar hij met opperste concentratie naar keek.’

Mannen komen er in geen van de drie romans goed vanaf. Wel wat maatschappelijke positie betreft natuurlijk, maar de machtige mannen met post-traumatische stressstoornissen, alcoholproblemen en Oedipuscomplexen zijn alomtegenwoordig. Het komt vast doordat ik deze drie boeken zeer kort na elkaar las, maar er kwam een moment dat ik dacht: ja, nu weten we het wel, in feite zijn de man-vrouwverhoudingen voor niemand goed, het moederschap wordt onderschat en oorlog is erg! Maar ach: wie sprookjes leest, hoe genuanceerd ook, wordt onherroepelijk met een moraal om de oren geslagen.