Opinie

Dit verslavende boek is een van de weinige die ik herlees

Zoals 800.000 anderen in Nederland verslaafd zijn aan de boeken van Lucinda Riley, ben ik dat aan die van Mercè Rodoreda.

Michel Krielaars

Eenmaal bijgekomen van de 622 bladzijden van De Zeven Zussen deel 1, was ik toe aan een serieuze roman. En omdat Lucinda Riley me in haar love&adoptionstory had meegenomen naar Latijns-Amerikaanse sferen, trok ik de onlangs bij uitgeverij Menken Kasander & Wigman verschenen roman De dood en het voorjaar van de Catalaanse schrijfster Mercè Rodoreda (1908-1983) uit de kast.

Zoals 800.000 anderen in Nederland verslaafd zijn aan de boeken van Riley, ben ik dat aan die van Rodoreda, vanaf het moment dat ik eind jaren tachtig haar roman Colometa las. Het is een van de weinige boeken die ik regelmatig herlees, zo mooi, ontroerend en hoopvol vind ik dat verhaal over een volksmeisje in Barcelona dat aan de vooravond van de Spaanse Burgeroorlog met een onbehouwen arbeider trouwt, die haar verkracht en slaat, maar ook lief voor haar is. Als hij aan het front sneuvelt, blijft zij met haar twee kleine kinderen achter en ontdekt ze geleidelijk aan wie ze echt is.

Het bijzondere aan Colometa is de nonchalante en palaverende stijl, waarmee Rodoreda het grootste leed draaglijk maakt en ze je meevoert naar een alles verzachtend landschap vol bloemen en vogels. Misschien maakt dat die roman wel tot zulke grootse literatuur.

Een even zinderende ervaring had ik bij het lezen van De dood en het voorjaar, al is hier van het zoele Barcelona geen sprake. Deze roman speelt zich af in een afgelegen bergdorp in een primitieve tijd. De smid is er de machtigste en de heer in het grote huis de enige beschaafde inwoner.

In zo’n beklemmende omgeving ontbreken liefde en tederheid. De mannen zijn wreed en bekrompen, de vrouwen moederdieren en lustobjecten. Als iemand zijn einde voelt naderen, wordt hij door de anderen volgegoten met cement. Sterven wordt daardoor een marteling. Vervolgens wordt dat dichtgemetselde lichaam in een leeg geschraapte boom in het dodenbos gestopt, waar iedere dode een door de smid geslagen naamplaatje krijgt.

Ondanks alle gruwelijkheden weet Rodoreda ook dit keer de lichtheid erin te houden. Dat komt vooral door haar verteller, een jongen van dertien, die er getuige van is hoe zijn stervende vader tevergeefs aan dat vullen met cement probeert te ontkomen door zich levend in zo’n holle boom te verstoppen. Zijn alsnog wrede dood maakt van zijn zoon een existentialistische rebel, die uiteindelijk zijn lot in eigen hand neemt en daardoor vrij is.

Dat zoeken naar vrijheid kom je in alle boeken van Rodoreda tegen. Volgens het nawoord van Frans Oosterholt, de vertaler van De dood en het voorjaar, is het onlosmakelijk verbonden met het leven van de schrijfster zelf, dat soms sterk doet denken aan dat van het personage van Colometa.

Rodoreda had slechts een paar jaar op school gezeten, maar ontdekte als kind de literatuur in de bibliotheek van haar grootvader. Op jonge leeftijd trouwde ze met een rijke oom, die haar seksueel misbruikte. Ze liep bij hem weg en ontpopte zich als een vrijgevochten vrouw. Na de overwinning van Franco vluchtte ze naar Parijs, waar ze als naaister in haar levensonderhoud voorzag. De getrouwde schrijver Armand Obiols, een medeballing die met de Duitsers collaboreerde, werd er haar grote liefde. Zo’n leven is op zichzelf al een roman. Lucinda Riley zou er wel raad mee weten.