Welke rol spelen verhalen in het plegen van aanslagen?

Zomerserie Het Verhaal Deze zomer verkent de wetenschapsredactie de relatie tussen de mens en zijn verhalen. Deze week: het verhaal van de terrorist. Welke rol spelen verhalen in het plegen van aanslagen?

Illustratie Olivia Ettema

‘Natuurlijk, Gökmen T. was een doorgesnoven, raaskallende gek, maar hij had óók een verhaal waarin hij geloofde en dat hem richting gaf.” Beatrice de Graaf, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en terrorisme-expert, weet het zeker: verhalen en ideologie spelen een belangrijke rol voor terroristen, zelfs als die op het eerste gezicht zo’n verwarde indruk maken als Gökmen T., de man die dit jaar vier mensen doodde in een tram in Utrecht. „Hij vond dat het Westen al jarenlang ongestraft moslims vermoordt. Dat is een bekend narratief uit de islamitische wereld dat correleert met de neiging tot geweld. Niet iedereen die dit denkt is geneigd om zelf geweld te gebruiken, maar je bevindt je met dit soort geluiden wel binnen de narratieve familie waartoe terroristen behoren.”

Niet alleen islamitische terroristen laten zich door verhalen inspireren. De 21-jarige man die op 3 augustus twintig mensen doodschoot in El Paso zou zich geïnspireerd hebben gevoeld door de man die in maart meer dan vijftig mensen doodschoot in moskeeën in Christchurch, Nieuw-Zeeland. Net als die schutter, en net als Anders Breivik, die in 2011 tientallen mensen vermoordde bij een dubbele aanslag in Noorwegen, zou ook de El Paso-terrorist een racistisch manifest online hebben gezet.

Wat drijft mensen tot geweld, en welke rol spelen verhalen in het doorbreken van het taboe op het doden van een ander mens? Waarom haalt iemand de trekker over? Om die vragen te beantwoorden, is het goed om vast te stellen dat er verschillende soorten geweld zijn, zegt hoogleraar sociale psychologie Kees van den Bos. Hij onderzoekt aan de Universiteit Utrecht maatschappelijke conflicten en publiceerde dit jaar het boek Waarom mensen radicaliseren. „Spontaan geweld, zoals een klap tijdens een ruzie thuis of in de kroeg, is een gevolg van een tekortschietende emotieregulatie. Dat is niet het soort geweld dat terroristen en soldaten gebruiken. Bij hen is sprake van gepland geweld. Dat soort geweld plegen is niet makkelijk, daar hebben mensen een flinke zet voor nodig. Verhalen die de wereld op een bepaalde manier structuur geven, kunnen hierbij dienen als legitimatie.”

Vaag onbehagen

Over de beweegredenen van terroristen wordt al lang gedebatteerd. Sommige wetenschappers zeggen dat terreur vooral voortkomt uit maatschappelijk onrecht. Daartegenover staan de onderzoekers die vinden dat ideologieën zoals links- en rechts-extremisme of islamisme de belangrijkste oorzaken zijn van politiek of religieus geweld.

Van den Bos zit ertussenin, zegt hij. „Veel mensen leven met een vaag gevoel van onbehagen, bijvoorbeeld over hoe de groep waartoe ze behoren wordt behandeld, of over het lot van dieren in de bio-industrie. Soms hebben ze hier al op vreedzame wijze tegen geprotesteerd, zonder succes. En dan komt er een verhaal langs dat hun gevoelens in een bredere context plaatst én een handelingsperspectief biedt. Vooral dat laatste is belangrijk.”

Dat beaamt Beatrice de Graaf. In haar boek Theater van de angst (2010) legde ze uit hoe verhalen van onrecht – injustice frames – radicaliserend werken. Nu doet ze onderzoek naar de rol die verhalen over verlossing spelen bij het motiveren van terroristen. „Met een narratief wordt een serie losstaande gebeurtenissen met elkaar verbonden, op zo’n manier dat terroristen de centrale rol kunnen spelen in de ontknoping van het verhaal. Zij zijn degenen die de geschiedenis een beslissende wending gaan geven, zij zijn de engel der wrake die het einde der tijden nabij brengt. Het kan hier gaan om een eindstrijd in religieuze zin, maar ook om het einde van de westerse, kapitalistische maatschappij waarnaar linkse terroristen streefden in de jaren zeventig en tachtig. Of om iemand als de dader van de aanslagen in Christchurch, die de ondergang van zijn ras denkt te voorkomen.”

Drie niveaus

Volgens De Graaf kun je op drie manieren kijken naar de oorzaken van terrorisme: op micro-, meso- en macro-niveau. „Op het micro-niveau bevindt zich de vaststelling dat Anders Breivik altijd al een narcist is geweest, de individuele psychopathalogie dus. Op macro-niveau bestudeer je zaken als onderdrukking en achterstelling. Het meso-niveau is de tussenschakel, die bestaat uit een groep mensen die verhalen maakt die micro en macro met elkaar verbinden en vertellen wat er gebeuren moet.

Die peer group is van groot belang bij het omzetten van verhalen naar handelingen, zegt bestuurssocioloog Mark van Ostaijen. Hij doceert aan de Universiteit Tilburg en publiceerde vorig jaar het boek Wij zijn ons, waarin hij maatschappelijke fenomenen, waaronder radicalisering, op sociologische wijze onderzoekt. „Het idee dat terroristen verschoppelingen zijn, is hopeloos ouderwets. Als een verhaal voldoende narratieve kwaliteit heeft, krijg je vanzelf mensen die erin gaan geloven. Binnen zo’n groep kan men dan beetje voor beetje toewerken naar de ultieme stap, het gebruik van geweld. Het is goed mogelijk dat mensen via internet worden aangetrokken tot radicale verhalen, maar die krijgen pas gewicht als ze door een kritische massa bevestigd worden.”

Van Ostaijen verwijst naar het staircase model van psycholoog Fathali Moghaddam. In diens metafoor is radicalisering te zien als het beklimmen van een trap in een huis met zes etages. Op elke verdieping kun je kiezen of je genoegen neemt met de daar aangeboden mogelijkheden tot het verbeteren van de situatie. Zo niet, dan neem je de trap omhoog en verdwijnt een aantal opties om op vreedzame wijze iets te veranderen aan hetgeen je grieft. Eenmaal op de bovenste verdieping, rest alleen nog geweld. Er is dan geen weg meer terug.

Van Ostaijen: „Bij elke beslissing om een etage verder te gaan, krijgt de radicalisering een zetje. Of niet. Dat zit ’m ook in de metafoor van de trap. Het is geen roltrap; hier moet je moeite voor doen. In het begin, als het nog gaat om een algeheel gevoel van relatieve deprivatie, kan de groep vrij groot zijn, maar op het laatst niet meer. Dan zit je bij een ‘harde kern’ die de ultieme consequentie wil trekken uit het verhaal waarin ze geloven.”

Terroristen worden niet alleen gedreven door verhalen, ze spelen zelf ook een rol in het narratief, benadrukt Beatrice de Graaf. „Terroristisch geweld heeft een theatraal karakter. Terreurkenner Brian Jenkins stelde in 1975 zelfs: terrorism is theatre. Hij zette uiteen dat terroristen werken met een script, attributen en – vaak letterlijk – een grote knal aan het einde. In haar boek Terrorism in Context laat Martha Crenshaw zien hoe deze verhalen zijn ingebed in gelijksoortige verhalen uit de geschiedenis. Terroristen willen met hun daden het leed uit die verhalen wreken en er zo een ander eind aan breien.”

Sinds de opkomst van sociale media maken terroristen nog meer en nog succesvoller gebruik van verhalen, zegt De Graaf. „De beelden die een beweging als IS maakte, zogen je mee hun narratief in. Ergens zijn verhalen hun belangrijkste wapen, want daarmee zorgen ze ervoor dat hun beweging groeit.”

Volgens Van Ostaijen heeft de taal van terroristen inderdaad op zichzelf al een performatieve component, ook zonder de bijbehorende daden. „Postmoderne filosofen als Michel Foucault en Jacques Derrida stellen dat woorden werelden kunnen scheppen. Taal is geen neutrale mediator van ‘een’ maatschappij om ons heen. Taal heeft een scheppende werking. Een dominant discours sluit betekenisgeving in en uit. Bijvoorbeeld, op het moment dat je iets ‘boreaal’ noemt, bestaat het en kan je ernaar handelen.”

Drank en drugs

Hoe werkt dit bij militairen, die andere groep mensen die niet impulsief, maar welbewust geweld aanwendt? Ben Schoenmaker, hoogleraar militaire geschiedenis aan de Universiteit Leiden, stelt dat oorlogen vaak zijn gelegitimeerd met de smoes dat er historisch onrecht of vijandelijke agressie hersteld of beantwoord moest worden. „Denk maar aan de Duitse aanval op Polen in 1939. Die was zogenaamd een reactie op Poolse provocaties. De Duitsers hadden daarvoor zelfs Poolse aanvallen op Duits grondgebied in scène gezet.”

Tegenwoordig kan je eigenlijk geen oorlog meer voeren zonder een resolutie van de VN, maar daar weten politici wel een mouw aan te passen, zegt Kees van den Bos. „Kijk maar naar het optreden van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell, die in 2003 in de Veiligheidsraad beweerde dat Irak massavernietigingswapens had. Dat was een verhaal dat zijn toehoorders de kans gaf de goede kant van de geschiedenis te kiezen en de mensheid te behoeden voor een ramp. Er zat wel iets van het alles-of-niets-denken in dat bij terroristen populair is.”

Als je je militairen aldus gemotiveerd naar het slagveld hebt gestuurd, hoe beweeg je ze dan om daadwerkelijk het gevecht aan te gaan, hun angst te overwinnen en andere mensen te doden? Schoenmaker: „Daarover is de consensus dat narratieve motieven als vaderlandsliefde eigenlijk niet zo’n belangrijke rol spelen. Uit onderzoek komt naar voren dat drie andere factoren van groter belang zijn. Ten eerste: dwang. Je kan als soldaat niet zomaar weglopen. Dat levert formele sancties op, zoals het vuurpeloton, maar ook informele sancties zoals uitstoting uit de groep. Ten tweede: beloning. Er valt wat te verdienen op het slagveld. Plunderen gebeurt niet veel meer, maar voor een soldaat liggen nog wel roem, prestige en onderscheidingen in het vooruitzicht. Ten derde: drogering. Drank en drugs zorgden ervoor dat de gruwelen van het slagveld voor militairen makkelijker te verdragen zijn.”

Voor soldaten speelt loyaliteit ten opzichte van hun kameraden een grotere rol dan abstracte zaken als patriottisme, zegt psycholoog Van den Bos. „Je vecht voor je maat in de schuttersput. De ultieme consequentie daarvan is het fenomeen van mannen die hun eigen té fanatieke officieren vermoorden, omdat die het welzijn van de groep in gevaar brengen.”

Schoenmaker plaatst hier een kanttekening bij. „Het idee dat kameraadschap alomtegenwoordig was op het slagveld – gepopulariseerd in de tv-serie Band of Brothers – behoeft nuance. Van Vietnam weten we dat de kameraadschap daar heel beperkt was. In een peloton zag men nieuwkomers als een groot gevaar, omdat ze met hun onervarenheid voor problemen konden zorgen. De zorg voor kameraden beperkte zich tot de eigen subgroep, waarmee al langer was opgetrokken. Dat neemt niet weg dat soldaten, als je ze ernaar vraagt, eerder voor de vlag van hun eenheid dan de vlag van hun land vochten.”

Soldaten die uit de oorlog komen, hebben regelmatig moeite zich aan te passen aan het leven in de burgermaatschappij. Ze zijn weg uit het geweld, maar het geweld niet altijd uit hen, getuige ook het relatief hoge aantal zelfmoorden door veteranen die kampen met posttraumatische stressstoornis.

En hoe haal je het geweld uit een terrorist? Spelen verhalen daarin ook een rol? Met mate, zegt Kees van den Bos. „Je kan proberen een ander verhaal te positioneren tegenover het verhaal waarin de terrorist gelooft. Dat moet wel echt maatwerk zijn. Met een algemeen counternarrative kom je er niet; je moet het individu wijzen op de inconsistenties in zijn of haar verhaal. Voorlopig lijkt het erop dat het heel moeilijk is mensen op deze manier te deprogrammeren, maar met individueel maatwerk heb je een kans.”

Dat zegt ook terreurdeskundige De Graaf. „Maar je moet de waarden van de rechtsstaat blijven verdedigen. Dat is geen frame, maar de manier waarop we willen leven. Daarom moet je dat verhaal blijven vertellen, op scholen en desnoods in de gevangenis. Het is de kern van waarvoor we staan.”

Correctie 10 augustus 2019: In een eerdere versie van dit artikel stond dat Gökmen T. vorig jaar vier mensen doodde in een tram in Utrecht. Dat moest dit jaar zijn en is in deze versie aangepast.