‘Jongens worden als last gezien’

Onderwijs Waarom blijven jongens vaker zitten en zijn ze minder gemotiveerd? Een boek over ‘het jongensprobleem’ in het onderwijs.

Fotobewerking Fotodienst NRC

Een boek over jongens? Dick van der Wateren, die bijna 25 jaar docent was op een middelbare school en veel over onderwijs schrijft, was niet direct overtuigd. Met meisjes op school gaat het toch ook niet florissant? „Maar toen ik er goed over nadacht, moest ik toegeven dat jongens een probleem hebben op school. De onderpresteerders die ik gezien heb, zijn bijna allemaal jongens.”

En nu ligt De ontwikkeling van jongens in het onderwijs: context en praktijk van primair tot hoger onderwijs voor hem op tafel. Met Lauk Woltring, die naast hem zit, deed hij de redactie.

Woltring, die onder meer docent in het hbo was en in het jongerenwerk zat, schreef eerder boeken over jongensgedrag en vond een boek over jongens en onderwijs broodnodig. Want jongens blijven vaker zitten, presteren vaker onder hun niveau en zijn minder gemotiveerd dan meisjes. Er zijn zelfs woorden voor: ‘jongensdip’ en ‘jongensprobleem’. Woltring: „Zelden worden de schijnwerpers alleen op de jongens gericht: op hun enthousiasme, hun drang naar experimenteren, valkuilen en problemen.”

En als dat gebeurt, zijn de reacties geregeld negatief, merken ze. Er wordt gezegd: ‘Het valt wel mee met dat jongensprobleem.’ Of: ‘Dat hoort nu eenmaal bij emancipatie.’ „De vrouwenemancipatie is nog lang niet afgerond, allerlei andere groepen eisen intussen ook aandacht op. Je dan toch om de dominante groep bekommeren, dat zit dicht tegen het pijnpunt”, zegt Woltring. „Mensen denken: maar zij zijn toch al de baas?”

Van der Wateren: „In een deel van de feministische cultuur is emancipatie neergezet als exclusief terrein voor vrouwen, daar is het misgegaan. Want wat heeft het voor zin als alleen de vrouwen emanciperen?”

Lees ook: Jongens zijn geen probleem, wél anders

Protesteren met wangedrag

Het gaat niet om competitie, benadrukken ze. Van der Wateren: „Het is niet zo dat meisjes geen problemen hebben. De school ziet dat alleen niet, want meisjes veroorzaken geen problemen, maar krijgen eerder een burn-out. Jongens protesteren met wangedrag. Zij zijn de kanaries in de kolenmijn. Ze worden als last gezien, in plaats van dat naar hun mogelijkheden wordt gekeken.”

Woltring: „Op scholen waar het goed gaat met de meisjes, gaat het lang niet altijd goed met de jongens. Maar op scholen waar het met de jongens goed gaat, doen de meisjes het óók goed. In die zin gaat dit boek ook over hen.”

Jongens zijn niet slechter gaan presteren op school, zegt Woltring, maar meisjes beter. Vanaf de jaren tachtig in de vorige eeuw stegen hun resultaten, mede als gevolg van beleid, terwijl die van jongens nagenoeg stabiel bleven (of minder hard stegen). „Dat achterblijven van de jongens zie je in veel landen: Nieuw-Zeeland, China, Australië, Amerika, Japan. Terwijl we ook hun inzet hard nodig hebben, in plaats van ze met hun boosheid over te laten aan alt-right.”

In de discussie daarover worden allerlei verklaringen gegeven: dat het onderwijs taliger is geworden en meer gericht op samenwerking, en daarmee beter zou aansluiten op de al ontwikkelde capaciteiten van meisjes; dat er thuis en op school minder structuur is, waar vooral jongens last van zouden hebben. Volgens de auteurs is de belangrijkste oorzaak dat het onderwijs te weinig doet om aansluiting te vinden bij leerlingen en studenten, waardoor vooral jongens afhaken. Een goede relatie en nieuwsgierigheid naar hun drijfveren zou dat voorkomen.

„Als een jongen het niet redt, wordt er gezegd: ‘Jij hoort hier niet thuis’”, zegt Van der Wateren. „Of: ‘Kees is gewoon lui’ of ‘Pietje is niet gemotiveerd’. Maar leraren worden betaald om te motiveren. Het is hun vak!”

Woltring: „Zo’n opmerking tast iets aan. Voor een hele klas, het toppunt van vernedering. Terwijl je met jongens over alles kunt praten, als ze maar niet afgaan. Daar zijn ze mee bezig: niet vernederd worden en erkenning vinden.”

Lees ook: Jongens, pas op! De verjuffing van het onderwijs slaat toe

Rijping van de hersenen

Meisjes en jongens ontwikkelen zich niet helemaal gelijk: de overgrote meerderheid van de meisjes komt een tot twee jaar eerder in de puberteit, de rijping van de hersenen verloopt wat trager bij jongens. De meeste meisjes lopen wat voor in ontwikkeling op zelfinzicht, planning en taligheid en de meeste jongens op ruimtelijk inzicht en grove motoriek. Zij leren meer door ‘trial and error’ en zijn impulsiever. „Jongens zijn er voortdurend op uit om iets mee te maken, ze willen reuring”, zegt Woltring. „Als school saai is, zorgen ze zelf voor opwinding. Voor leraren is dat een hel.” Dat die leraren vooral vrouwen zijn, helpt niet, denken de auteurs, al zijn hun lessen even goed. „Jongens hebben ook mannelijke rolmodellen nodig.”

Onveilige gehechtheid op kinderdagverblijven en scholen is bij jongens vaker een probleem, denkt Woltring. „Ze gaan dan voor hun eigen veiligheid zorgen, lang voor ze eraan toe zijn. Als er op het kinderdagverblijf controlerend wordt gevraagd: ‘Wat doe jij daar?’, denkt zo’n jongetje: ‘Wegwezen, ik zal toch wel weer iets fout doen’. Zo kan zich een soort egocentrisme ontwikkelen: ik moet voor mijzelf zorgen, anders krijg ik op m’n lazer. Dan komt hij niet toe aan de ontwikkeling van sociaal gedrag als empathie en samenwerking.”

Brutaal gedrag moet vaak in dat licht worden gezien, zegt hij. „Het kan een test zijn: kun jij wel met mij omgaan? Ze ontwikkelen gedrag wat je niet wilt zien, pesten, agressie, alles om zelf maar niet vernederd te worden. Daarom is mijn overtuiging dat als het niet veilig is voor de jongens, het dat ook niet is voor de meisjes.”