Gezicht zien

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 25

Ben van de week wezen vissen in een boerka. Zo een met twee kijkgaten. Perfect weertje, licht bewolkt, niet te warm, mild oostenwindje. Een uitstekende camouflage, die boerka, vooral in de avondschemer, want vissen zien alles, zelfs in het donker herkennen ze van ver je smoelwerk. Maar nu zien ze een soort grote zwarte zuil, en zuilen hengelen niet, dus dat wekte geen argwaan.

En wat denkt u? Schitterende vangsten! Bijna elke worp was raak. Het ene botje na ’t andere, inclusief een paar verrukkelijke baars/wijting-doubletjes. Het succes was mede te danken aan de kijkgaten. Kijkgaten verhogen de focus. Ik miste niet één rammel of rukje; elke aanbeet was bingo. In ’t begin was het nog behelpen met werpen. Als ik naar achteren helde om vervolgens met beide armen de vijf meter lange stok manmoedig naar voren te zwaaien, bleef er wel eens een haak steken in m’n kloffie of, dat gebeurde ook, het hele boeltje zwiepte over m’n hoofd heen zodat ik geen hand voor ogen zag. Het vergt dus wel een zekere handigheid, vooral als die kustwind een deuntje gaat meeblazen.

Op de golfbrekers was het sowieso oppassen geblazen. Als m’n lijn vastzat, omdat ’t werpklompje of paternoster ergens achter bleef steken, moest ik langs slijmgladde blokken afdalen. U begrijpt dat met die lange lappen in je kielzog het spitsroeden lopen was. Je kukelt zo ’t water in.

Op zeker moment overwoog ik om de jurk voor en achter verticaal tot m’n kruis doormidden te knippen en dan de twee flappen links en rechts in m’n kousen te stoppen. Maar toen overviel me ineens een beter idee: de boerka gewoon in m’n broek proppen! Dat gaf weliswaar een rare bobbel rondom m’n middel, alsof ik ’n mislukte liposuctie had ondergaan, hetgeen enig bekijks trok, merkte ik, maar het werpen ging meteen op rolletjes.

Twee vissers verderop gluurden telkens m’n kant op. Stikjaloers natuurlijk, zij vingen geen spaan. Een van hen riep iets onverstaanbaars. Beleefd zwaaide ik terug. Op goed moment stond er plotseling een achter me.

„Mevrouw, goedenavond, die boerka van u, dat mag niet hè”.

„Oh? Wat is het probleem?”

„Eh, ik zie uw gezicht niet. Dat is niet fijn vissen.”

„Waarom wilt u mijn gezicht zien? U kunt beter op uw hengel letten.”

„Volgens het AD mag ik u tegen de grond werken en op u zitten tot de politie komt.”

„Oh het AD, nou doet u uw best maar.”

„Nee, laat maar zitten.”

„Hoezo?”

„Ik dacht dat u een vrouw was.”

En hij maakte rechtsomkeert. Ik ving nog een vette schar en dankte de hemel voor zoveel genade.