Een, twee, klap, vang, vang, zo leer je jongleren

Trucje Leer een kunstje. Niet nuttig, maar het maakt wel indruk. Zoals jongleren.

Sommigen hebben negen minuten nodig, anderen negen uur, maar iedereen kan leren jongleren, aldus Robert Hersée, oprichter van More Balls Than Most, dat jongleerlessen verzorgt voor allerlei organisaties; wie leert jongleren, zou meteen leren loslaten en openstaan voor nieuwe dingen. Zelf pikte de 62-jarige Brit het op toen hij na zijn studie bedrijfskunde rondtrok als straatmuzikant en -tekenaar.

Het jongleren dat Hersée doceert heet de cascade, niet te verwarren met het kaatsen, waarbij je de ballen van de ene hand naar de andere doorgeeft. Bij cascade vangt en gooit elke hand, bij kaatsen is een hand gespecialiseerd in vangen en de andere in gooien.

Zorg dat je drie zachte ballen hebt, ter grootte van een tennisbal, liefst elk in een andere kleur.

Begin door één bal via een hoge boog naar je andere hand te gooien en hem daar zo laag mogelijk te vangen, terwijl je blijft kijken naar het hoogste punt waar de bal komt, en vervolgens weer terug. Zo leer je dat je niet naar je hand hoeft te kijken om te kunnen vangen.

Als het overgooien goed gaat, klap dan tussendoor een of liefst twee keer in je handen, of raak met gekruiste armen je schouders aan.

Nu pak je een tweede bal, en neem je in elke hand een bal. Gooi de eerste bal via een boog in de lucht naar je andere hand. Zodra die begint te vallen, gooi je de andere bal omhoog richting de eerste hand, terwijl je omhoog blijft kijken. Dat is voor veel mensen moeilijk, omdat de vangreflex moet worden uitgeschakeld. Visualiseer de ballen daarom in de lucht, en gooi rustig. Als het moeilijk blijft, kan het helpen om met links beginnen te gooien als je rechts bent (en omgekeerd). Geef onder geen beding de bal door zoals bij kaatsen – zet desnoods een stoel met hoge leuning of iets dergelijks tussen de handen in om dat te voorkomen. Probeer de tweede bal eens hoger te gooien, of over je schouder naar achter, zodat je er meer controle over krijgt.

Lukt het met de twee ballen, probeer dan in een ritme te komen: een, twee, vang, vang. Voeg daar nu een klap in de handen aan toe: een, twee, klap, vang, vang. Als je dat kunt, zegt Hersée, ben je eigenlijk al aan het jongleren, en is het tijd voor de derde bal. Neem twee ballen in de beginhand en de derde in de andere. Gooi een bal omhoog, gooi de bal in de andere hand omhoog zodra de eerste neer begint te komen, en, zodra die begint te vallen, de derde bal. Als je de ballen hebt gevangen, zitten ze alledrie in een andere hand. Vergeet niet in de lucht te blijven kijken, de ballen te laten kruisen en laag te vangen. Blijf veel aandacht aan de tweede bal geven, zodat er ruimte is voor de derde bal. En dan: oefenen, oefenen, oefenen, tot je niet na elke drie worpen hoeft te stoppen. Nog één tip: houd je ellebogen tegen je middel, en beweeg je handen enigszins naar binnen om te gooien en naar buiten om te vangen.