Opinie

Vervangend vervoer

Marcel van Roosmalen

Hilversum-Mediapark, als station toch al geen feest, ligt een maand uit de dienstregeling. De trein ging niet verder dan Weesp, waar een gele pijl met de tekst ‘Vervangend vervoer’ hing. Een korte zin zonder werkwoord met grote impact.

Ze hadden ook ‘U komt te laat’, ‘U wordt chagrijnig’ of ‘Kutzooi’ op de pijlen kunnen zetten. Ik was de enige die het woord ‘Werkzaamheden’ ergens ooit een keer had gelezen, maar het niet had opgeslagen. Op het plein achter station Weesp stond een tent die ons eventueel zou beschermen tegen de elementen, daar zaten er meer zoals ik. We werden opgehoopt, toen we met een heleboel waren begonnen de eersten te panikeren.

„Ik heb zo een vergadering!”, riep iemand tegen niemand in het bijzonder.

Een NS-medewerker attendeerde ons op de incheckpaal.

„We behandelen dit gewoon als een stoptrein.”

Grapje erachteraan: „Dus misschien komt er wel niets.”

Een ander geel hesje sprak een luidruchtige mopperaar aan.

„U moet maar zo denken, u krijgt er een mooi stuk spoor voor terug. Het was echt nodig.”

Alsof er een tand moest worden getrokken bij de tandarts.

Hij werd vaker als susser ingezet bij vervangend vervoer en omschreef ‘mediamensen’ als ‘mensen met verhoudingsgewijs veel noten op de zang’.

Wat bedoelde hij met ‘verhoudingsgewijs’? Hij: „Nou bij Ede-Wageningen zijn ze lijdzamer, dat zien we liever.”

Nou, daar kwam de eerste touringcar.

Een bekende radiostem wrong zich, de laptop opengeklapt, naar de openzwaaiende deur. „Sorry, ik heb zo uitzending.”

Antwoord uit de meute: „Wij ook lul!”

Maakte niet uit, opeens waren er nog vijf bussen.

Ik nam de laatste bus.

Achter het stuur een vrouw met kortgeknipt haar, die tegen de conducteur bleef tetteren.

„Iedereen moppert, maar voor mij is dit wel leuk. Ik vind het wel leuk hoor.”

In Bussum nam ze een rotonde te scherp, waardoor een passagier in het gangpad kukelde. Toen hij was opgekrabbeld vroeg hij of we de rest van de dorpen mochten overslaan.

„Nee”, zei onze chauffeuse, „ik vind dit veel te leuk. En nou zitten, want d’r komt weer een bocht.”

Een half uur later dan normaal werden we eruit gegooid naast de snelweg.

In de berm stond een incheckpaal tussen het gras.

Ervoor een rij met mensen zonder rijbewijs, waarvan sommigen van het vooruitzicht van een maand vervangend vervoer bijna onpasselijk werden.

„Ik ben hier maar eens per week”, zei ik de hele tijd, ik geloof dat ik dat leuk vond om te zeggen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.