Opinie

Lege kasten

Ellen Deckwitz

In de eerste week van augustus hoest ik het meest, wat niets te maken heeft met hooikoorts, maar alles met het feit dat lievelingsvriendin H. dan jarig is. Ieder jaar help ik haar huis uit te mesten voordat de verjaardagsvisite komt, wat nogal een klus is: H. is met afstand de slordigste persoon die ik ken. Twee dagen lang zijn we aan het puinruimen, zetten we sanitair in de azijn en schrapen we plaggen van het balkon. Hele suikerspinnen aan stof rollen we op plumeaus.

„Ik vind schoonmaken zulke onzin”, zegt ze tussen het uitkloppen van de tapijten door, „het is zo’n gevecht tegen de bierkaai. Zodra je klaar bent laat je alweer talloze haren en cellen los, kruipt er via kieren fijnstof naar binnen.”

„En toch wil je dat alles op orde is als er bezoek komt”, zeg ik.

„Nou ja, vooral vanwege mijn ma”, zucht H. Haar moeder heeft een schoonmaakobsessie. Als ik aan haar denk zie ik haar door het huis lopen, gewapend met een vaatdoekje. Onophoudelijk dingen opbergen, ordenen, wegbrengen. Ik denk dat niemand echt tegen troep kan, maar H’s moeder raakt al door een colablikje op straat van slag. En omdat we ook willen dat zij een fijn verjaardagsfeest heeft (H. is haar enige kind) bezemen we alsof ons leven ervan afhangt.

Na twee dagen zwoegen heb ik de longfunctie van een Limburgse mijnwerker, maar is het huis ook soort van toonbaar. De verjaardag begint, H.’s moeder komt binnen en begint meteen over het laagje stof op de schakelaar van de ganglamp (oeps). H. krimpt vijf centimeter en ik smeer hem naar de woonkamer om met de rest van de familie taart te eten in een kring en te zeuren over het weer.

Wanneer de verjaardag ten einde loopt helpt H.’s moeder ons met opruimen, en na afloop roken we op het balkon nog even samen geen sigaret.

„Alles is weer netjes”, zeg ik.

„Tja”, zegt ze, „ik ben allergisch voor troep. Mijn hele hoofd raakt ervan overstuur, ik kan er niet meer door nadenken. Gelukkig is alles hier weer op orde. Ik merk dat ik daar dan meteen weer heel kalm van word, ook al is dit niet eens mijn huis. Zometeen lekker slapen, lekker dromen.”

„Waarover hoop je te dromen?”

Daar moet ze even over nadenken. Na een tijdje zegt ze aarzelend: „Lege kasten. Dat er niets hoeft te worden opgeruimd of geordend.”

Ze laat dat antwoord even op zich inwerken. Langzaam verspreidt zich over haar gezicht een brede glimlach.

„Ja, lege kasten”, zegt ze zacht. „Dan kan ik eindelijk leven.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.