Opinie

‘Woorddeodorant’ kan het ‘rotten van ons vlees’ niet tegengaan

Nederlandse taal Door onze doodsangst verdwijnt het woord lijk uit ons taalgebruik, constateert . Eufemismen die de dood wegpoetsen werken echter slechts kort.

Een lijkwagen heet tegenwoordig een rouwauto, een lijkkist is nu uitvaartkist. Het verzachten van de taal is volgens Babs Bakels doorgeslagen.
Een lijkwagen heet tegenwoordig een rouwauto, een lijkkist is nu uitvaartkist. Het verzachten van de taal is volgens Babs Bakels doorgeslagen. Majken Borup

Voor zover ik weet ben ik geen ‘vroeger was alles beter’-type. Er zijn namelijk best veel redenen om niet naar vroeger te verlangen. Vroeger hadden we geen jetski’s, geen buienradar en geen chemotherapie. Vroeger moest je groenten gewoon zelf snijden en vroeger hadden we alleen in het weekend snoep: pennywafels en koetjesrepen, gemaakt van cacao-emulgator op waterbasis.

Het enige dat vroeger beter was: toen namen we geen aanstoot aan het woord lijk. Een rouwauto noemden we lijkwagen, een uitvaartkist noemden we lijkkist. De woorden verwezen naar de functie van het object: een auto waarin het lijk wordt vervoerd (rouw vervoer je niet in een stationwagen) en een opbergdoos voor het lijk.

Tegenwoordig zijn er veel eufemismen die de dood wegpoetsen. Zo is de uitvaartbranche meester in zoetgevooisde death speak. Zij spreken niet meer over afleggen, maar over de laatste verzorging, de knekelput heet verzamelgraf en opgraven heet heel netjes ruimen en dat alles gaat uiteraard piëteitsvol.

Het geparfumeerde jargon is klantvriendelijk, professioneel en het schept een illusie die wat mag kosten. Inmiddels wordt deze taalreiniging – onder invloed van uitvaartprofessionals – ingegeven door de overheid. D66-Tweede Kamerlid Monica den Boer pleit voor een moderne, lijkvrije wetgeving. Het woord ‘lijk’ op het door de burgerlijke stand afgegeven verlof tot begraven en cremeren moet worden vervangen door ‘lichaam van de overledene’, zodat het formulier minder emotioneel belastend is, staat in haar initiatiefnota. En vanuit deze gedachte wil minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) de Wet op de lijkbezorging voortaan Uitvaartwet noemen.

In een tijd waarin iedereen de mond vol heeft van het doorbreken van het taboe rondom de dood, is het woord ‘lijk’ taboe geworden. Het doet ons kennelijk te sterk denken aan onze eigen kwetsbare, sterfelijke lichamen, en aan ‘vieze’ lichamelijke processen als ontbinding. En dat is problematisch en vraagt om oplossingen. Om ons te bevrijden uit onze biologische, dierlijke lichamen is volgens cultureel antropoloog Ernest Becker cultuur bedacht. Via deze weg ontstijgen we de natuur en kunnen we onze stinkende lijven beheersen. Om die cultuur intact te houden, heb je afspraken nodig, een culturele standaard.

Woorddeodorant en broekzakconstructie

Wanneer we geconfronteerd worden met doodsangst kunnen we terugvallen op de waarden van onze cultuur. Dat is de kerngedachte van de terror management theory, een theorie binnen de sociale psychologie die onderzoekt hoe mensen de strijd met de angst voor de dood aangaan en wat hiervan de gevolgen zijn voor gedrag en cognitie. We voelen ons veiliger als we allemaal dezelfde waarden naleven, een beetje hetzelfde denken over de zin van het leven en de dood. Onder die culturele spelregels valt ook taal. Via taal kun je de juiste overtuigingen overdragen die de cultuur bevestigen. Spreken over zaken als pus, seks, stront en lijken valt daar niet onder. Ze doen ons denken aan onze lichamelijkheid en de sterfelijkheid daarvan. Aan onze dierlijke natuur. Voor dergelijke onderwerpen gebruiken we eufemismen die afleiden van lichamelijke drek en daarmee van doodsangst.

Het gekke met eufemismen is dat je steeds nieuwe nodig hebt om de voorgaande eufemismen te vervangen. Zo was lijk ooit een eufemisme voor de oudere woorden reeuw en kadaver. Waarschijnlijk zal het woord lichaam – dat lijk moet vervangen – na verloop van tijd weer aanstootgeven, want het blijft toch verwijzen naar rottend vlees.

Ik ben geen etymoloog, maar deze wisseltruc lijkt een vestzak-broekzakconstructie. Het woord lichaam is namelijk een samenstelling van lijk en haam, waarvan het eerste deel van de samenstelling (lijk) ‘lijf, vlees’ betekent en het tweede deel (haam) ‘omhulsel, zak, hemd, gedaante’. Een lichaam is dus een vleselijk omhulsel. Het woord lijk was oorspronkelijk niet alleen bedoeld voor het lijf van een dode, maar was algemeen bruikbaar, net als lichaam. Het is niet ondenkbaar dat we straks lichaam te veel met het Duitse woord Leichnam associëren. Dan moet er opnieuw een woord geslachtofferd worden voor onze tere zieltjes.

Nu we dit mechanisme doorhebben, is het misschien een idee om ons te harden tegen het idee van bederfelijk vlees. In plaats van woorddeodorant te gebruiken moeten we de betekenis van woorden juist tot ons laten doordringen. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden zegt mijn oma altijd. Dus laten we het beest bij de naam noemen en in onszelf erkennen. Wie weet zal deze strategie het culturele comfort rondom de dood blijvend vergroten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.