De zee klotst niet

Schrijver en kunstschilder wandelen acht weken langs de kust en doen verslag in woord

en beeld.

Afl. 5: De blauwe streep.

De etappe van Wijk aan Zee naar Bergen is de zee van mijn jeugd. Later heb ik over de Noordzee gevlogen, gevaren en geschreven, maar dat was nooit zo indringend als de eerste keren dat ik die inkeping in de duinen zag opduiken – die V-vorm, waarvan het onderste deel zich vulde met een helderblauwe streep naarmate je omhoogploeterde door het rulle zand. De V van verwachting was dat. En van vrijheid. Nog steeds heb ik dat opgewonden gevoel als ik zo’n klassieke, Hollandse duinopgang oploop, een wit zandpad, liefst met stro bedekt. Aankomen bij zee is een beetje geboren worden. Iedere ochtend, als we terug zijn bij de kust, roepen Jan en ik het tegen elkaar: ‘Freedom!’

Ook het einde van de dag komt met herinneringen. De drooggevallen zandbanken krijgen een roestbruine kleur en de zon begint van die spiegelende, zilveren plekken op het water te maken. De schaduwen worden lang en loom, de geluiden dempen zich. De middagzee van mijn kinderherinnering is een collage van klanken die je hoorde met je ogen dicht – geluiden met ronde contouren, verstrooid door een zinderende lucht en neerdwarrelend op het zand. Een confetti van kinderstemmen, de lach van een meeuw, de bel van een ijscoman. Verder alleen de zon en het warme zand tegen je huid.

De branding neemt het ervan en doet maar zo’n beetje alsof: veel en gewichtig aanzwellen, maar dreunen ho maar. Je houdt je adem in: komt-ie nog wel? Soms is het een donderslag, soms een onverwachte klap op een blote bil, of de droge tik van iets wat in de keuken op de grond valt.

Ik ben niet de eerste die door zeegeluiden wordt geïnspireerd. We hebben Jacques Perk met zijn ‘Ik ben geboren uit zonnegloren/En een zucht van de ziedende zee.’ En natuurlijk P. Louwerse, die in zijn ode aan de ‘blanke top der duinen’ beschreef hoe ‘de Noordzee vriend’lijk bruisend/Neêrlands smalle kust begroet’.

Alles goed en wel, maar één ding kan echt niet. ‘De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining’, dichtte Willem Kloos. Klotsen… dat doet het Kinselmeer, het Pikmeer, misschien zelfs het IJsselmeer – maar de Noordzee wijd en koud als een klotsend geheel te kenschetsen, dat is een regelrecht affront. De Noordzee bruist en tinkelt, buldert, zwalpt en ziedt – maar wie haar klotsen laat, die kent de Noordzee niet.