‘Schaarsbergen’ groeide uit tot voorbeeldzaak tegen machocultuur

Defensie Het OM gaat in hoger beroep tegen de vrijspraak van vijf (ex-) militairen van bedreiging, mishandeling en aanranding op de Oranjekazerne.

Dat het Openbaar Ministerie (OM) in hoger beroep gaat tegen de vrijspraak in de ‘Schaarsbergen-zaak’, is geen verrassing. Het OM denkt genoeg aanknopingspunten te hebben om de vijf (ex-)militairen alsnog veroordeeld te krijgen voor aanranding, bedreiging en mishandeling. Bovendien staat er nogal wat op het spel doordat ‘Schaarsbergen’ is uitgegroeid tot een kwestie waarin de machocultuur in de krijgsmacht ter discussie is komen te staan.

Het hoger beroep, dat het OM Oost-Nederland vrijdag bekendmaakte, betekent ook dat een slepende zaak nog langer gaat duren. In 2012 en 2013 werden drie nieuwkomers op de Mortiergroep van de Luchtmobiele Brigade, gelegerd op de Oranjekazerne in Schaarsbergen, naar eigen zeggen slachtoffer van vergaande pesterijen. Defensie onderzocht hun klachten en overlegde met het OM, dat bepaalde dat de zaak intern afgehandeld kon worden. Pas nadat het drietal in het najaar van 2017 aangifte deed en zijn verhaal deed in de Volkskrant, besloot het OM tot vervolging over te gaan.

De publicatie leidde tot veel politieke commotie, waarna staatssecretaris Barbara Visser (Defensie, VVD) besloot om een commissie de omgangsvormen bij de krijgsmacht te laten onderzoeken. Deze commissie-Giebels signaleerde in oktober vorig jaar op nogal wat plekken in de krijgsmacht een giftig mengsel van machogedrag, uitsluitingsmechanismen, groepsdruk, geslotenheid en old boys-netwerken.

De vijf (ex-)militairen, die in de beeldvorming aan de wieg van de misstanden hadden gestaan, werden vorige maand echter vrijgesproken door de Militaire Kamer van de rechtbank in Arnhem. Er is veel misgegaan op de kazerne, constateerde de rechtbank op grond van de rapporten van onder meer de commissie-Giebels: „De daarin beschreven, wellicht grappig bedoelde, gedragingen betreffen in werkelijkheid strafbare feiten.” Maar ze acht het niet bewezen dat de vijf zich hieraan schuldig hebben gemaakt.

Bij het aanvechten van dat vonnis trekt het OM aan twee draden. De ene draad is nogal procedureel en draait om het begrip ‘verjaring’. De vijf verdachten ontvingen pas op 20 maart van dit jaar hun dagvaarding, erg laat in de ogen van de rechtbank. Die besloot daarop de verjaringstermijn van zes jaar in te laten gaan vanaf die datum, waardoor gebeurtenissen van vóór 20 maart 2013 als verjaard werden beschouwd.

Oudere kwesties

Het OM vocht dit tussentijds aan bij het Gerechtshof, maar kreeg daar te horen dat het daarvoor maar ná de rechtszaak in hoger beroep moest gaan. Dat is wat het OM nu doet, omdat het vindt dat de rechter niet tot verjaring had mogen besluiten. Zijn belangrijkste argument daarvoor is dat op het moment dat tot vervolging werd besloten – eind 2017 – alle verjaring automatisch is opgeschort.

Mocht het Hof het daarmee eens blijken te zijn, dan moet een rechtbank zich alsnog buigen over oudere kwesties. Daaronder is ook een vermeend geval van militaire aanranding, waarbij een persoon het blote onderlichaam van iemand anders in het gezicht geduwd krijgt. Daarmee komt de zaak ook bij de andere draad van het OM, namelijk de vraag: wie heeft wat wanneer gedaan?

De rechters konden niet achterhalen wat de rol van de vijf toenmalige verdachten is geweest bij de misstanden. Het is wel degelijk mogelijk om de vijf te koppelen aan de misdragingen, zegt het OM in een persbericht. Hoe, dat zal duidelijk moeten worden bij de behandeling van het hoger beroep. Daarvoor moet een datum nog worden vastgesteld.