Hebben de VS een blinde vlek voor de witte terrorist?

Terrorismebestrijding In de nasleep van ‘El Paso’ laait in de VS het debat op of de dreiging van extreem-rechtse terreur in eigen land wel serieus wordt genomen.

Een gedenkplek voor de slachtoffers van de schietpartij in El Paso.
Een gedenkplek voor de slachtoffers van de schietpartij in El Paso. Foto Andres Leighton/AP Photo

De aanslag, zaterdag in El Paso, behoort met 22 dodelijke slachtoffers niet alleen tot de tien dodelijkste schietpartijen in de recente geschiedenis van de VS. De moordpartij eindigt ook hoog in ander een treurig rijtje: dat van ‘meest dodelijke geweldsdaden gepleegd door binnenlandse extremisten, sinds 1966’. Alleen bij de extreem-rechtse bomaanslag in Oklahoma-Stad (168 doden, 1995) en de moslim-extremistische schietaanslag op nachtclub Pulse in Orlando (49 doden, 2016) kwamen er meer mensen om.

Met zijn aanslag tegen de ‘hispanic-invasie van Texas’ doet de verdachte, Patrick Crusius, niet alleen het Amerikaanse vuurwapendebat oplaaien. In de nasleep rijst ook de vraag of de VS binnenlands terrorisme serieus genoeg nemen. Zeker nu deze dreiging de laatste jaren vaker van extreem-rechtse, wit-nationalistische aard is – en er in het Witte Huis een president zetelt die openlijk flirt met precies die ideologie.

Lees ook het profiel over de dader: Boos op iedereen, maar vooral bang van migranten

Reden tot zorg is er zeker. De meerderheid van de binnenlandse terrorismezaken die de FBI onderzoekt, „komt voort uit een variant van wat je geweld uit witte suprematie kunt noemen”, zei FBI-directeur Wray in juli in de Senaat. Anti-discriminatiegroep Anti-Defamation League (ADL) telde vorig jaar vijftig doden door binnenlands extremisme. Van de daders hing de overgrote meerderheid (78 procent) wit-superioriteitsdenken aan.

Onder hen Nikolas Cruz, die, geobsedeerd door racistische, homofobe en antisemitische teksten, op een school in Parkland, Florida, zeventien mensen doodschoot. En Robert Bowles, een antisemiet die elf bezoekers van een synagoge in Pittsburgh vermoordde. Evenals Scott Beierle, die, als aanhanger van een misogyne stroming van ‘onvrijwillig celibataire’ mannen (‘InCels’), twee vrouwen doodde in een yogastudio in Florida.

Bredere dreiging

Al dit geweld past in bredere dreiging, stelt de ADL. Tussen 2009 en 2018 vielen er 427 doden door binnenlands extremistisch geweld. Daarvan nam extreem-rechts bijna driekwart (73 procent) voor zijn rekening. Moslim-extremisten waren verantwoordelijk voor 23 procent van de geweldsdoden en extreem-links voor 3 procent.

Al voor de aanslag in El Paso klonk er daarom kritiek dat opsporingsautoriteiten hun middelen verkeerd inzetten. Sinds de Al-Qaeda-aanslagen van 11 september 2001 zouden zij zich te sterk zijn gaan focussen op moslim-extremistische en buitenlandse terreur. Potentiële aanslagplegers van eigen bodem zouden onterecht buiten beeld blijven. Ook geldt binnenlands terrorisme niet als federaal misdrijf, waarmee het lastiger te bestrijden is dan buitenlandse terreur.

Discrepantie

De FBI-onderdirecteur voor contra-terrorisme werd hierover in mei en juni kritisch ondervraagd door de Democratische oppositie in het Huis. Deze Michael McGarrity ontkende een discrepantie tussen dreiging en inzet van middelen. Hij wees erop dat van de ruim vierduizend lopende terreuronderzoeken er 850 binnenlands van aard zijn. Voor de critici bewees dit juist hun punt: extreem-rechtse terreur eist al jaren meer doden, maar wordt blijkbaar minder onderzocht.

McGarrity zei dat het aantal arrestaties van binnenlandse terreurverdachten recentelijk wel oploopt. Maar hij waarschuwde ook dat „de snelheid” waarmee potentiële terroristen radicaliseren „veel hoger is dan voorheen”. De grootste binnenlandse terreurdreiging, zei McGarrity, gaat nu uit van „de eenling die online zelfstandig radicaliseert en toegang heeft tot een wapen”.

Het sluiten of beter modereren van extremistische krochten van het internet dan wel het aanscherpen van wapenwetgeving is in de VS al lastig genoeg. Maar na ‘El Paso’ zwelt de kritiek aan dat dit allemaal weinig zin heeft zolang radicaliserende loners zich gesterkt kunnen voelen door de retoriek van hun eigen president. Net als vermoedelijke schutter Crusius in zijn manifest gebruikte ook Trump bijvoorbeeld meermaals de term ‘invasie’ als hij sprak of twitterde over de komst van Latijns-Amerikaanse migranten naar de zuidgrens.

Lees ook: 8chan: toevluchtsoord voor extremisten

Ook wordt er dezer dagen veel verwezen naar een campagnebijeenkomst van Trump in mei in de Panhandle, een diep-conservatief deel van Florida. De president vroeg toehoorders hoe migranten gestopt zouden kunnen worden. „Schiet ze neer”, riep iemand in het publiek. Met een veelbetekende lach en tot hilariteit van de menigte antwoordde Trump: „Alleen in de Panhandle kun je dat roepen en ermee wegkomen.”

Diverse gegadigden voor de Democratische presidentskandidatuur namen dit weekeinde de president dan ook op de korrel. „We kunnen dit probleem niet oplossen als we weigeren het te benoemen: wit-nationalisme”, stelde ex-vicepresident Joe Biden. „Een ideologie die gesterkt wordt door een president die het vuur van de haat opstookt en aanhangers van wit-suprioriteitsdenken vertroetelt met boodschappen van steun.”