Opinie

De vrijheid om plezier te hebben

Marjoleine de Vos

Het grote restaurant in Amsterdam waar ik zat te eten was flink vol. De dertigers en veertigers hadden er duidelijk de meerderheid, zo te zien waren er veel mensen die geld verdienen, die het druk hebben, die succesvol zijn. Ze zaten met rode wangen en glanzende ogen druk met elkaar te praten.

De meesten waren op dat moment niet speciaal bezig met het nuttig besteden van hun tijd, ze gingen op in het moment, ze hadden het naar hun zin in hun vrolijke of ernstige, persoonlijke of politieke gesprekken. Ze zouden zich de volgende dag waarschijnlijk alleen maar flarden herinneren van wat ze zeiden, want zo gaat dat vaak met gesprekken in restaurants, ze dienen meestal nergens toe en tegelijkertijd zijn ze verdiepend en hartverwarmend. Het is fijn om in een restaurant te zitten en met elkaar te praten. Onderdeel van het plezier in het leven.

Hoeveel dingen doen we niet om die reden, heel gewone dingen. Mensen die naar buiten gaan om een eind te fietsen. Of die in hun tuin rommelen en dan op een stoel gaan zitten kijken naar hoe mooi en netjes het geworden is.

Of, ook onderdeel van aardigheid in het leven, hoe heerlijk het was, toen ik net in een klein dorp was komen wonen, als de langsfietsende buurman ‘hoi!’ zei, of als de garagevrouw als ik belde merk en type van mijn auto noemde. Ik bestond! Ik werd gezien!

Het zijn eenvoudige ervaringen die toch geen onbelangrijk deel zijn van hoe een mens zich voelt, al hebben we het er weinig over. Ze horen niet thuis in de Grote Verhalen die we vertellen, ze hebben weinig van doen met het klimaat of de wereldpolitiek, met migrantenstromen of Brexit, maar ze bepalen waarschijnlijk wel een belangrijk deel van hoe we daar tegenover staan. Ze zijn onderdeel van onze sensatie van vrijheid en welbehagen.

In De Groene Amsterdammer schreef een voormalige Oost-Duitse, Anja Maier, over de teleurstelling van veel Oost-Duitsers, die in plaats van vrijheid en welvaart een ijskoude markteconomie kregen die hen overbodig verklaarde. Maier beschrijft de teleurstelling, de leegloop, stadjes waar wat achtergelaten mensen naast leegstaande winkels zitten – er is niets meer over van de wereld van vroeger. Geen werk, geen samenleving en nee, ook geen dictatuur meer, maar in de terugblik lijkt die dan ineens zo slecht nog niet: „We missen iets dat niet meer bestaat,” schrijft Maier. „Hoe bitter het ook is, veel mensen – onder wie ikzelf – missen soms de paternalistische staat. De DDR-burger in mij verlangt af en toe naar een bepaalde vorm van gezien worden. Naar het gevoel dat het je wel iets kan schelen. Dat je je in de groep opgenomen voelt.”

In Oost-Duitsland hadden ze een ander vrijheidsbegrip dan het westerse, schrijft ze. Nu zijn ze gevangen in economische wetten, toen waren ze vrij om te leven zoals ze prettig vonden. Althans in de terugblik.

Wij hier verlangen over het algemeen niet naar een paternalistische staat, opgevoed als we zijn met het idee dat er niets afschuwelijkers bestaat dan dat. Maar voor de behoefte aan gezien worden, opgenomen te zijn in een geheel, lachen met vrienden, genieten van het buiten-zijn, hoef je geen voormalige Oost-Duitser te zijn. Eigenlijk weet bijna iedereen wel dat geld en succes helemaal niet de allerbelangrijkste dingen op aarde zijn en dat plezier hebben in je leven, elkaar zien, voor elkaar zorgen belangrijker zijn.

Soms vraag ik me wel eens af wat we bedoelen met ‘vrijheid’. Of vrijheid alleen maar betekent: geen dictatuur. Dat is wel de allerschraalste invulling van het begrip.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.