‘Ze bennen niet fout, ze bennen ánders’

Edam en Volendam Vierhonderd meter weiland scheiden Edam en Volendam. Eén gemeente, twee verschillende universa. „Wij zijn rechts, zij zijn links.”

Het weiland dat Edam en Volendam scheidt.
Het weiland dat Edam en Volendam scheidt. Foto Kees van de Veen

Jack de Bok maakt een armgebaar naar de overkant. „Weet je wat het is? Edam is gewoon een beetje een dooie stad. Het lééft daar niet echt.”

Op een zonnige juli-ochtend is Jack, eind twintig en een echte Volendammer, zijn hondje aan het uitlaten. De Bok is niet zijn echte achternaam, die hoeft van hem niet in de krant. Maar in Volendam heeft iedereen een bijnaam. Dus kennen ze Jack (spreek uit: ‘ jak’) op het dorp als eentje van De Bok. Net als zijn vader en grootvader. Gniffelend: „Dat blijft generaties lang plakken.”

Voor zijn werk doet Jack „iets aan de it-kant” en hij speelt basgitaar in een coverband. Een optreden is meteen ook de enige reden voor hem om naar Edam te gaan, want verder komt hij er eigenlijk nooit. Behalve dan misschien voor de jaarlijkse kermis. Die vormt voor Volendammers „een lekkere gelegenheid om onder elkaar te zijn”, zegt hij. Op de Volendamse kermis lukt dat niet meer: daar komen de bezoekers van buiten tegenwoordig „met busladingen tegelijk” op af.

Jack en zijn hondje staan aan de rand van Volendam. Voor ons strekt zich een weiland uit van een meter of vierhonderd – dan begint Edam. Op het eerste gezicht is er geen verschil tussen beide kanten: dezelfde doorzonwoningen uit de jaren zeventig, met hofjes en voortuintjes en achterommetjes. Maar zodra je de bewoners aan het weiland aanspreekt, merk je: die vierhonderd meter gras en koeien scheiden twee compleet andere werelden. Edam en Volendam: al eeuwen verbonden, maar o zo verschillend.

Waar dat verschil in zit? Een Volendamse vrouw die in haar tuin aan het klussen is, weet het meteen: „Wij zijn rechts, zij zijn links.” Wat ze daarmee bedoelt: Volendammers houden van hard werken en verder geen gezeur, Edammers „zijn meer van het beschermen van de natuur, dat soort dingen.” Ze wil niet met haar naam in de krant, want „ze weten hier allemaal wie ik ben”.

„Weet je waar je de Edammer aan herkent?” zegt de buurvrouw, die net langsloopt met haar kleinkind. „Aan de rode broek en de prei uit de fietstas.”

„En ze dragen sandalen, met Winnie de Poeh-sokken.”

„Ze zitten daar allemaal achter een hoge heg.”

„Weet je”, concludeert de vrouw in de tuin met Volendamse tongval, „ze bennen niet fout, ze bennen ánders”.

Achter het klaphek

Al meer dan zeshonderd jaar vormen Edam en Volendam één gemeente. Eeuwenlang was Edam de bovenliggende partij. Het had stadsrechten (sinds 1357) en verdiende goud geld aan scheepsbouw voor de VOC. De lokale patriciërs lieten schitterende grachtenpanden bouwen, die nog altijd de Voorhaven en de Nieuwe Haven sieren.

Volendam was het straatarme vissersdorp aan de dijk. De bevolking woonde er in piepkleine, benauwde huisjes. Het schelpenpad naar de Zuiderzee telde drie klaphekken. Wie van „achter het derde klaphek” kwam, werd in het rijke Edam voor schorriemorrie versleten. Dat de Volendamse vissers in het protestantse Noord-Holland koppig bleven vasthouden aan hun katholieke geloof, hielp ook al niet. Eeuwenlang mochten ze geen eigen kerk in het dorp bouwen.

In de twintigste eeuw voltrok zich een totale ommekeer. Volendam begon geld te verdienen door de oprichting van een eigen coöperatieve visafslag. De bewoners werden actief in de bouw en in het toerisme. Na de Tweede Wereldoorlog explodeerde de bevolking: inmiddels heeft Volendam meer dan drie keer zoveel inwoners als Edam – ruim 22.400 tegenover 7.200 – en een veelvoud aan bedrijven, kroegen en winkels.

Met het succes kwam ook een sterk gevoel van eigenheid. De Volendammers bewaken minutieus hun identiteit: katholiek, hardwerkend, in voor een feestje, en met een eigen dialect dat voor buitenstaanders amper te verstaan is. Wie niet uit Volendam komt, noemen ze een ‘jas’.

Edam daarentegen is een stadje geworden zoals zovele in Nederland. Als je ze naar hun identiteit vraagt, moeten de bewoners lang nadenken. Tja, de kaasmarkt. En misschien zijn ze wat calvinistischer dan de Volendammers: geen pilasters of andere versierselen aan hun voordeur. Maar verder? Lastig.

Waslijn

Illustratief voor het verschil tussen de twee stadjes is de ‘roop’. Aan de Volendamse kant van het weiland staat hij in iedere voortuin: de hoge, tweestrengs waslijn waar je je kleren zonder wasknijpers aan kunt ophangen. Aan de Edamse zijde zie je er precies één – en daar woonde tot voor kort een Volendammer.

Was hangt te drogen aan een roop in Volendam

Foto Kees van de Veen

Als je aan de Volendamse kant vraagt of ze aan de overzijde iemand kennen, schudden de meeste bewoners van nee. Alina (opnieuw: geen achternaam alsjeblieft) denkt even na en zegt dan: „Mijn ex-schoondochter en twee vrouwen met een hond die ik ken van het uitlaten.” Een andere Volendamse vertelt dat ze in de dertig jaar dat ze hier woont, nog nooit op de Edammer kaasmarkt is geweest – nog geen halve kilometer verderop.

Als ze al naar Edam gaan, zeggen de Volendammers, dan is het alleen voor de groenteboer, de banketbakker of het Damhotel, waar je lekker kunt eten. Het is niet dat Edammers kwade lui zijn. Ze hebben gewoon de pech dat bij hun dorp de rest van Nederland begint.

Aan de Edamse kant van het weiland hoor je een ander verhaal. De vaakst terugkerende observatie: Volendammers, je komt er niet tussen. De ‘botterkonten’ aan de dijk willen het liefst onder elkaar zijn. Soms hebben Edammers een poosje in Volendam gewoond, maar zijn ze toch weer teruggekeerd.

Een belangrijk instrument in het Volendamse chauvinisme is de taal. „Volendammers spreken onderling altijd dialect, vaak ook als er buitenstaanders bij zijn”, zegt Nora Helsloot, die bezig is haar garage op te ruimen. „Nederlands praten omdat er niet-Volendammers bij zijn, dat vinden ze uitsloverij.”

In Edam hangt de was aan een droogmolen.

Foto Kees van de Veen

Nora en haar man Ton zijn import-Edammers – zoals vrijwel iedereen in de straat. Eind jaren zestig verhuisden ze vanuit Amsterdam naar Edam. Hun kinderen, inmiddels volwassen, stuurden ze naar de middelbare school in Purmerend en Hoorn, ook al is het Volendamse Don Bosco college maar een paar minuten fietsen van hun huis. „Iedereen spreekt daar dialect, en dat nemen de kinderen mee naar huis”, zegt Nora. Lachend: „Ik zeg altijd: ik wil wel een taal leren, maar geen Volendams.”

Een paar deuren verder woont Hem de Boer. De geboren Edammer – híj wel – zat jarenlang in de gemeentepolitiek, waarvan vijf jaar als wethouder voor de VVD. Hij werkte altijd prettig samen met de Volendammers, maar ondervond ook dagelijks hoe dominant het buurstadje is in de gemeente. „Moest er een nieuwe sporthal komen? In Volendam. Een zwembad? Volendam.” Toen hij aantrad, vertelt De Boer, waren er plannen voor een gemeenschappelijke begraafplaats. „Die is er nooit gekomen.” Een paar jaar geleden nog zou een deel van de ambtenaren uit het stadhuis in Volendam worden overgeheveld naar het Gemeenlandshuis in Edam, waar het waterschap vroeger zetelde. De ambtenaren weigerden – het plan ging niet door.

Je ziet de rivaliteit ook in het stemgedrag, zegt De Boer. In Edam doen middenpartijen als VVD, PvdA en tegenwoordig GroenLinks het goed. In Volendam, ooit een CDA-bolwerk, halen de populisten gegarandeerd een monsterscore. Vroeger Wilders, nu Baudet: bij de Provinciale Statenverkiezingen in maart stemden in geen enkele Nederlandse gemeente zo veel mensen op Forum voor Democratie – en die stemmen kwamen van de andere kant van het weiland. „Volendammers hebben respect voor politici die wat durven, die het opnemen tegen de gevestigde orde,” zegt De Boer.

De Weg

En toch, alle verschillen ten spijt, is er iets wat de Edamse en Volendamse zijde van het weiland bindt. En dat is, merkwaardig genoeg, het weiland zelf. Om precies te zijn: de toekomst ervan.

In alle gesprekken, maakt niet uit aan welke kant, duikt hij vroeger of later op: De Weg. Al meer dan twintig jaar willen gemeente en provincie over het grasland een tweebaans autoweg aanleggen. Volendam is slecht ontsloten: ’s ochtends en ’s avonds loopt het verkeer op de twee toegangswegen vast. Een derde ontsluitingsweg, vanaf de rijksweg N247, moet verlichting brengen.

Asfalt in plaats van koeien, gras en weidevogels – dat willen de direct omwonenden natuurlijk niet. Dus strijdt het bewonerscomité ‘Weg met die weg’ al twintig jaar tegen de plannen. En het bijzondere is: dat comité is volledig gemengd. „Op dit moment bestaat het bestuur uit drie Volendammers en twee Edammers,” vertelt Jan Koning in zijn Volendamse achtertuin met uitzicht op het weiland. „Maar het is ook weleens omgekeerd geweest.”

Koning is geen stereotiepe Volendammer. Geboren en getogen, dat wel, maar hij werkte het grootste deel van zijn leven buiten het dorp. In Edam komt hij regelmatig: hij zingt er in een koor en twee van zijn kinderen wonen er. In zijn tuin heeft hij – als enige in de buurt – géén roop staan. „Ik heb gewoon een droogmolen.”

De Edams-Volendamse samenwerking in het comité is altijd uitstekend geweest, zegt Koning. De gemeenschappelijke zaak zorgt voor verbinding. Wel ziet hij een verschil in mentaliteit. „Edammers zijn iets assertiever, bij Volendammers zie je meer gelatenheid.” De eeuwenoude verhoudingen – de notabelen in de stad en de aanpakkers in het dorp – zitten nog steeds in de genen, ziet Koning. „Edammers gaan in een bestuur zitten, Volendammers zeggen: ik metsel dat muurtje wel.”

Enige tijd geleden heeft het comité zich neergelegd bij de bouw van de weg. „Er is een democratisch besluit genomen door de gemeenteraad, en dat respecteren we.” In ruil voor steun heeft de gemeente concessies gedaan: stil asfalt, geen verlichting, walletjes met begroeiing. De aanleg van de weg zal nog wel eventjes op zich laten wachten – dat doet hij al twee decennia. „Maar dát hij er komt, daar twijfelt niemand meer aan,” zegt Koning.

Het weiland is er straks niet meer, en dat stemt de omwonenden melancholisch. Al is het vooral vanwege de verdwijnende idylle van rust en stilte. De fysieke barrière die hier straks tussen Edam en Volendam ligt, bestond allang in het hoofd.